Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
200302375/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302375/2.

Datum uitspraak: 7 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de regionaal inspecteur VROM, regio Oost,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 februari 2003, no. RE2002.77656, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 1 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juli 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Ermelo, vertegenwoordigd door

J.P. Zwijnenburg, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan heeft betrekking op het deel van het Ermelose buitengebied dat in de zogenoemde Agrarische Enclave binnen het Centraal Veluws Natuurgebied ligt. De doelstelling van het plan is het vinden van een nieuw evenwicht tussen het gebruik van gronden voor landbouw en natuur. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen. Zijn bezwaren richten zich tegen de omvang van bestaande agrarische bouwpercelen in de natuurrandzone en tegen de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt voor deze bouwpercelen. Verzoeker vraagt in zoverre schorsing van het bestreden besluit, opdat zich geen onomkeerbare ontwikkelingen kunnen voordoen alvorens op zijn beroep is beslist.

2.4. Voorzover het verzoek zich richt op de omvang van bestaande agrarische bouwpercelen in de natuurrandzone en de aldus bij recht toegestane bouwmogelijkheden overweegt de Voorzitter dat het verzoek in zoverre noopt tot nader feitenonderzoek, waarvoor deze procedure zich minder goed leent. In afwachting van de behandeling in de bodemprocedure acht de Voorzitter het niet wenselijk dat in het plangebied in zoverre onomkeerbare ontwikkelingen zullen plaatsvinden.

2.5. De Voorzitter overweegt voorts dat op grond van de in artikel 5, elfde lid, en artikel 6, achtste lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid het plan, mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zodanig kan worden gewijzigd dat het voorziet in verschuiving en vergroting van het bouwperceel op gronden met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden”. In deze artikelleden is onder c bepaald dat de oppervlakte van het bouwperceel tot 1,25 hectare mag worden vergroot en indien de oppervlakte van het bouwperceel ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan meer dan 1 hectare bedraagt, die oppervlakte met ten hoogste 25% mag worden vergroot. Als voorwaarde voor vergroting van deze bouwpercelen is onder meer bepaald dat, voorzover het gronden betreft die op de bestemmingenkaart als “natuurrandzone” zijn aangeduid, de natuurwaarden op aangrenzende gronden niet onevenredig mogen worden aangetast. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het plangebied voorzover hier van belang in het Streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan) aangeduid als landelijk gebied B. Volgens een essentiële beleidsuitspraak in het streekplan mag de landbouw zich in landelijk gebied B in economisch opzicht duurzaam ontwikkelen, mits de natuurwaarden niet worden geschaad. De Voorzitter constateert dat de bestemmingsregeling in het plan in zoverre niet overeenstemt met het streekplan. Gebleken is dat dezelfde situatie zich heeft voorgedaan met betrekking tot de bestemmingsplannen “Buitengebied Agrarische Enclave” van de gemeenten Nunspeet en Apeldoorn, in welke plannen grotendeels met dit plan overeenkomstige planvoorschriften zijn opgenomen. In de uitspraken van 19 maart 2003, nos. 200102490/1 en 200105267/1, heeft de Afdeling de besluiten van verweerder tot goedkeuring van deze plannen in zoverre vernietigd.

Gelet op het vorenstaande verwacht de Voorzitter dat het goedkeuringsbesluit op dit onderdeel in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. De Voorzitter is voorts niet gebleken van spoedeisende belangen die zich verzetten tegen schorsing van het bestreden besluit in zoverre.

2.6. In verband met het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als hierna onder 3 aangegeven.

2.7. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 25 februari 2003, nr. RE2002.77656, voorzover het betreft de bij recht toegestane bouwmogelijkheden op agrarische bouwpercelen voorzover deze liggen in de natuurrandzone, en voorts voorzover het betreft de mogelijkheid agrarische bouwpercelen binnen de natuurrandzone uit te breiden door middel van toepassing van een wijzigingsbevoegdheid;

II. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2003

218-392.