Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200301436/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet geweigerd voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 23 januari 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2003/46 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301436/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]l,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hulst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet geweigerd voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 23 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door A.L.M. van de Walle en P.M. Verstraeten, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de stichting “Stichting Regionale Bestrijding Varkens Invasie”, vertegenwoordigd door, [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De vraag of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen heeft betrekking op een aspect dat de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling moet betrekken. De Afdeling zal derhalve in de eerste plaats op deze vraag ingaan.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft – voorzover hier van belang – inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c,

sub 1°, voorzover hier van belang: het mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

In bijlage I, onder Q8, van de Richtlijn is als categorie afvalstof vermeld: bij industriële procédés ontstane residuen (bijvoorbeeld slakken, distillatieresiduen enz.).

2.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term "zich ontdoen van".

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), onder meer voor recht verklaard dat de omstandigheden dat een als brandstof gebruikte stof het residu is van een productieproces van een andere stof en dat die stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen, als aanwijzingen kunnen worden beschouwd voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn. Of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

2.4. Uit de vergunningaanvraag die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit blijkt dat onder andere een brijvoederinstallatie en 12 bunkers van elk 50 m3 voor bijproducten zijn aangevraagd. In de bunkers worden onder meer wei en aardappelstoomschillen opgeslagen. Gebleken is dat deze bijproducten van buiten de inrichting afkomstig zijn.

De hiervoor genoemde bijproducten zijn residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie en vallen als zodanig onder categorie Q8 van bijlage I van de Richtlijn. Niet is gebleken dat is beoogd deze bijproducten te produceren als veevoeder. De Afdeling is derhalve van oordeel dat de leveranciers van deze bijproducten zich van deze producten ontdoen of moeten ontdoen, in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn en dat de bijproducten daarom zijn aan te merken als een afvalstof.

Vaststaat derhalve dat vergunning is aangevraagd voor een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, als bedoeld in categorie 28.4, onder a, sub 6, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen, als bedoeld in categorie 28.4, onder c, sub 1. De categorieën 28.7 of 28.8 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin een uitzondering is gemaakt op categorie 28.4, onder a, sub 6, en categorie 28.4, onder c, sub 1 zijn niet van toepassing.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is op de inrichting naast categorie 8.1 ook categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit van toepassing. Wanneer dat het geval is en één van de categorie-omschrijvingen gedeputeerde staten aanwijst als bevoegd gezag, gaat blijkens de toelichting op het Besluit die aanwijzing voor. Nu in categorie 28.4 het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag in plaats van verweerder, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Besluit.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling laat de beroepsgronden buiten bespreking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Anders dan appellant heeft betoogd, is vanwege het enkele feit dat verweerder eerder bij procedures betrokken is geweest ter zake van de milieuvergunning voor de onderhavige inrichting geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de voorgeschreven wijze waarop het bedrag van de proceskosten wordt vastgesteld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hulst van 26 november 2002;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hulst in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Hulst te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Hulst aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

312-399.