Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200301128/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2001 heeft appellant (hierna: het college) vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die bepaling luidde tot 3 april 2000, en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een hobby/bergruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301128/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 14 januari 2003 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2001 heeft appellant (hierna: het college) vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die bepaling luidde tot 3 april 2000, en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een hobby/bergruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 21 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2003 heeft [partij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.L. Mertens, ambtenaar der gemeente, is verschenen. Daar is ook gehoord [partij], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Carisborg, 1e herziening”, rust op het perceel de bestemming “Tuin I”.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Tuin I aangewezen gronden bestemd voor tuin.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften mag op deze gronden niet worden gebouwd, behoudens andere bouwwerken welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

Ingevolge artikel 1, onder k, van de planvoorschriften verstaan deze voorschriften onder ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.2. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, hebben burgemeester en wethouders toepassing gegeven aan de zogeheten anticipatieprocedure. Aan de formele vereisten om toepassing te geven aan deze procedure was voldaan.

2.3. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Indien de inbreuk op de bestaande planologische situatie gering is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologische kader waarop wordt vooruitgelopen.

2.4. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat met de in de aangevallen uitspraak weergegeven overweging in de bestreden beslissing op bezwaar wel is ingegaan op de omvang van de activiteiten in de hobby/bergruimte, treft geen doel. Door [partij] is een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit blijkt dat op het perceel sinds 8 september 1998 een eenmanszaak is gevestigd die keramiek vervaardigt en verkoopt en keramiek verfcursussen verzorgt, alsmede een foto van een reclamebord voor de verkoop van keramiek in de voortuin op het perceel. Voorts is door hem aangevoerd dat er wekelijks cursussen voor het verven van keramiek in de hobby/bergruimte worden gegeven. Omdat de vraag of er sprake is van bedrijfsmatig handelen in de hobby/bergruimte van belang is bij de beoordeling van de mate van inbreuk op de bestaande planologische situatie, en daarmee voor de eisen die gesteld worden aan de mate van spoedeisendheid en het planologisch kader waarop vooruit wordt gelopen, kon het college aan hetgeen door [partij] is aangevoerd niet zonder nadere motivering voorbijgaan door, slechts onder verwijzing naar de capaciteit van de in de hobby/bergruimte aanwezige oven, te stellen dat geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. De Afdeling merkt daarbij nog op dat ter zitting is gebleken dat het onderzoek naar de capaciteit van de oven is verricht in het kader van de Wet Milieubeheer en dat een oordeel over de vergunningplicht in dat kader niet bepalend is voor een oordeel over de bedrijfsmatigheid van de activiteiten. Voorts sluit de omstandigheid dat [belanghebbende] nog een dienstbetrekking heeft, niet uit dat het gebruik van de hobby/bergruimte als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt. Terecht heeft de rechtbank derhalve geoordeeld dat de beslissing op bezwaar voor wat betreft dit onderdeel een toereikende motivering ontbeert.

2.5. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat niet is gebleken dat een zorgvuldige belangenafweging, met daaraan voorafgaand een onderzoek naar de belangen van appellant, heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft zij, anders dan appellant betoogt, niet alleen, maar onder andere gewezen op de omstandigheid dat niet is gebleken dat het college bij zijn belangenafweging het bezwaar van [partij] met betrekking tot de aantasting van zijn woongenot door de verplaatsing van het rookafvoerkanaal heeft betrokken. In de beslissing op bezwaar is immers evenmin ingegaan op hetgeen [partij] in zijn bezwaarschrift overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van de verstoring van zijn woongenot, namelijk de verstoring van zijn uitzicht en het vervallen van de vluchtweg uit zijn woning, terwijl niet is gebleken dat het college een onderzoek heeft ingesteld naar de eveneens door [partij] gestelde vermindering van daglicht als gevolg van het bouwplan. De beslissing op bezwaar berust ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering en is niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen. De bestreden beslissing is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling merkt daarbij op dat de kosten van het uittreksel uit het handelsregister en van het onderzoek door het kadaster niet voor vergoeding in aanmerking komen nu deze kosten gemaakt zijn vóór het instellen van het hoger beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade in de door [partij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 80,02; het bedrag dient door gemeente Kerkrade te worden betaald aan [partij].

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. De Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

141-398.