Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200300505/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de reeds aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de op 29 april 1998 verleende bouwvergunning voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300505/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de reeds aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de op 29 april 1998 verleende bouwvergunning voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 december 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2002, verzonden op 12 december 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 februari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 26 maart 2003, 4 april 2003 en 10 april 2003 hebben respectievelijk het college, [vergunninghouder] en [partij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [vergunninghouder]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.A.A. Span, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Daar zijn ook gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door mr. A.R. van Tilborg, advocaat te Leusden, en [partij].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww), voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 50, zesde lid, van de Ww, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid, de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en het betreft een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO.

2.2. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in een onder meer wat betreft de goothoogte gewijzigde uitvoering van een eerder vergund bouwplan voor een uitbreiding van de woning op het perceel. Niet in geschil is dat dit bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) vrijstelling verleend. Nu ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning het bestemmingsplan “Kom Breugel 2000” ter inzage was gelegd en het bouwplan voor wat betreft de goothoogte niet in overeenstemming is met dat plan, heeft het college voorts toepassing gegeven aan artikel 50, zesde lid, van de Ww.

2.3. Appellant betoogt dat het algemeen belang zich verzet tegen het verlenen van vrijstelling omdat de vergunde goothoogte afwijkt van het in de toelichting op het toekomstig bestemmingsplan neergelegde streven naar het behoud van een goothoogte van 5 meter. Dit betoog treft geen doel. Het college is bij de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO niet gebonden aan het toekomstige bestemmingsplan. Nu de goothoogte gemeten vanaf peil 6.92 meter bedraagt en er dus sprake is van een afwijking van 32 centimeter ten opzichte van de na toepassing van de binnenplanse vrijstelling in het toekomstige bestemmingsplan maximaal toegestane goothoogte van 6.60 meter, kan naar het oordeel van de Afdeling niet gesteld worden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze afwijking ruimtelijk aanvaardbaar is. Dat in de toelichting op het bestemmingsplan is neergelegd dat gestreefd wordt naar het behoud van een goothoogte van 5 meter doet daaraan niet af. De Afdeling merkt daarbij op dat, anders dan appellant stelt, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring aan de bestemming van het perceel heeft onthouden omdat de toegestane goothoogte afwijkt van de vergunde goothoogte en het bestemmingsplan niet in een legalisering daarvan voorziet en niet omdat de toegestane goothoogte afwijkt van dat in de toelichting neergelegde streven.

2.4. Het betoog van appellant dat het belang van vergunninghouder geen rechtens te respecteren belang is omdat deze in afwijking van de bouwvergunning heeft gebouwd, faalt eveneens. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de houder van een in rechte onaantastbare vergunning een aanvraag indient, die strekt tot wijziging van het vergunde bouwplan. Indien (ook) dat bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, moeten in het kader van het besluit omtrent vrijstelling ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, alle rechtstreeks daarbij betrokken belangen worden afgewogen. Dat een goothoogte conform het bestemmingsplan [vergunninghouder] niet voor grote problemen zou plaatsen, doet, wat daarvan ook zij, daaraan niet af.

2.5. Appellant betoogt dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de stelling van appellant dat, gelet op de vereiste dakhelling, een grotere goothoogte aan de voorzijde tevens leidt tot een grotere nokhoogte. Volgens appellant heeft hij op die grotere nokhoogte vanuit zijn woning wel degelijk zicht en ervaart hij de woning van vergunninghouder als te massaal en beperkend voor zijn uitzicht. Daar komt volgens appellant nog bij dat hij ook eigenaar is van een woning in de Weverstraat van waaruit zicht bestaat op de voorzijde van de woning van vergunninghouder. Ook dit betoog faalt. In het geldende bestemmingsplan is geen maximale nokhoogte voorgeschreven en is het binnen de grenzen van de daarin voorgeschreven dakhelling mogelijk een hogere nokhoogte te realiseren dan de thans gerealiseerde nokhoogte. Voorts blijft de goothoogte aan de voorzijde beneden de ingevolge het geldende bestemmingsplan, na toepassing van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid, toegestane maximale goothoogte van 7.15 meter. Ook in het toekomstige bestemmingsplan is, uitgaande van een goothoogte van maximaal 6.60 meter en een dakhelling tussen 30 en 50o, een grotere nokhoogte mogelijk dan nu is gerealiseerd. Het college heeft zich derhalve naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant door de vrijstelling niet in zijn belangen is geschaad.

2.6. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college bij afweging van alle belangen in redelijkheid tot de verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. De Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

398.