Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI1000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200206852/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206852/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 12 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E. Hodselmans, drs. A. van Ankum en R.A. Peters, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de beslissing op bezwaar van 14 maart 2002 heeft de Staatssecretaris het besluit van 9 maart 2001, waarbij het verzoek van appellant om verlening van een vergunning, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna ook: de Wbr), ten behoeve van de uitbreiding van een landbouwkas aan de [locatie] te [plaats] is afgewezen, gehandhaafd.

2.2. Het toetsingskader voor aanvragen voor een vergunning op basis van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken is de beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (Stcrt. 1996, nr. 77, zoals gewijzigd in 1997, Stcrt. 1997, nr. 87; hierna: de beleidslijn). Het beleid is gericht op het scheppen van meer ruimte voor de rivier, de duurzame bescherming van mens en dier tegen overstroming bij hoogwater en het beperken van materiële schade door het handhaven van de beschikbare ruimte in het winterbed, het creëren van ruimte in de zin van vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier en beperking van schade door nieuwe activiteiten die in het winterbed kunnen worden toegestaan. De beleidslijn is van toepassing op alle nieuwe activiteiten (waaronder wijziging van bestaande activiteiten) in het winterbed van de grote rivieren, waaronder de Maas. Uitbreiding van bestaande niet-riviergebonden activiteiten in het zogenoemde stroomvoerend winterbed, zoals in het onderhavige geval aan de orde, wordt getoetst aan het "nee, tenzij-afwegingskader", mits de uitbreiding op zichzelf, dat wil zeggen zonder rekening te houden met compenserende maatregelen, in de actuele situatie niet leidt tot waterstandsverhoging. Uit de beleidslijn volgt, dat, indien een dergelijke uitbreiding wel leidt tot waterstandsverhoging, de gevraagde activiteit niet zal worden toegestaan.

2.2.1. Appellant betoogt ten onrechte, dat - anders dan de beleidslijn suggereert - uit onderdeel IX van de toelichting bij de beleidslijn, welke toelichting integraal deel uitmaakt van de beleidslijn, volgt, dat het "nee, tenzij-afwegingskader" zonder meer van toepassing is op iedere uitbreiding van niet-riviergebonden activiteiten in het stroomvoerend winterbed. Het desbetreffende onderdeel van de toelichting ziet in het algemeen op uitbreiding van niet-riviergebonden activiteiten in het winterbed en niet specifiek op uitbreiding van dergelijke activiteiten in het stroomvoerend winterbed, waarvoor - zoals hiervoor is aangegeven - als extra voorwaarde geldt, dat de activiteit niet mag leiden tot waterstandsverhoging.

2.3. Uit een door de Staatssecretaris opgestelde berekening blijkt, dat de voorgenomen uitbreiding van de landbouwkas zal leiden tot een waterstandsverhoging van zeven tot acht millimeter tegen het dijklichaam van de A67. Deze uitkomst is bevestigd door een op 5 december 2001 door een niet eerder bij de zaak betrokken deskundige van de Afdeling Beheer Natte Infrastructuur (ANB) van Rijkswaterstaat (directie Limburg) gemaakte hercontroleberekening. Zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, heeft de Staatssecretaris zich op basis van deze berekeningen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat realisering van de uitbreiding zal leiden tot een waterstandsverhoging.

2.3.1. Het door appellant in het kader van het hoger beroep ter nadere onderbouwing van zijn reeds eerder ingenomen standpunt, dat van een waterstandsverhoging geen sprake zal zijn, overgelegde rapport van HKV Lijn in Water van 29 november 2002, kan hieraan niet afdoen. In dit rapport wordt immers vermeld, dat de door de Staatssecretaris gehanteerde methodiek gangbaar is voor het bepalen van de rivierkundige effecten als gevolg van de aanleg van de kas, terwijl daaruit niet blijkt dat deze methodiek door de Staatssecretaris op onjuiste wijze is toegepast. Daarenboven wordt in dit rapport slechts aangegeven, dat de effecten van de realisering van de uitbreiding van de landbouwkas op de waterstand ook op andere wijze, te weten met toepassing van het computerprogramma WAQUA, zouden kunnen worden bepaald, en niet dat toepassing van dat computerprogramma tot een andere uitkomst zou leiden. Hier komt nog bij, dat de Staatssecretaris in hoger beroep onder overlegging van een berekening op basis van het computerprogramma WAQUA aannemelijk heeft gemaakt, dat toepassing daarvan niet tot een wezenlijk andere uitkomst leidt.

2.4. Gelet op het vorenstaande heeft de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld, dat voor de voorgenomen uitbreiding van de landbouwkas op grond van de beleidslijn geen vergunning kan worden verleend. Dat het bedrijf in de huidige omvang niet kan blijven voortbestaan, alternatieve locaties ontbreken en appellant bij zijn bedrijfsontwikkeling tot dusver is uitgegaan van de strekking van een in 1986 door het hoofd van de dienstkring Roermond Maas van de Rijkswaterstaat (directie Limburg) gedane toezegging omtrent uitbreidingsmogelijkheden voor dat bedrijf, leidt niet tot een ander oordeel.

2.4.1. Immers, bij het opstellen van de beleidslijn zijn de gevolgen die het nieuwe beleid voor bestaande bebouwing en bedrijvigheid kan hebben uitdrukkelijk onderkend en afgewogen tegen het belang van een duurzame bescherming tegen hoog water. Dit heeft er onder meer toe geleid, dat onder bepaalde omstandigheden voor uitbreiding van een aantal bestaande activiteiten in het stroomvoerend winterbed kan worden afgeweken van het in de beleidslijn neergelegde uitgangspunt, dat in het stroomvoerend winterbed niet-riviergebonden activiteiten niet zijn toegestaan. De door appellant genoemde omstandigheden kunnen dan ook reeds hierom niet als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, worden aangemerkt, die voor de Staatssecretaris aanleiding zouden kunnen zijn van de beleidslijn af te wijken. Anders dan appellant veronderstelt, is daarbij voor een op zijn geval toegespitste belangenafweging geen plaats.

2.4.2. Ten aanzien van de door appellant genoemde toezegging is voorts van belang dat deze destijds is gedaan op grond van het toen geldende beleid. Het beleid is inmiddels veranderd en thans vastgelegd in de beleidslijn. Mede gelet op de doelstellingen van deze beleidslijn moet worden geoordeeld dat aan de in 1986 gedane toezegging slechts betekenis toekwam onder het destijds geldende beleid, zodat de Staatssecretaris zich na inwerkingtreding van de beleidslijn niet meer aan die toezegging gebonden hoefde te achten. Voorzover deze toezegging als een bijzondere omstandigheid, zoals hiervoor bedoeld, zou moeten worden aangemerkt, kan niet met vrucht worden staande gehouden, dat de Staatssecretaris, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid onverkort aan de beleidslijn heeft kunnen vasthouden.

2.4.3. Het oordeel van de rechtbank, dat de Staatssecretaris de gevraagde vergunning terecht heeft geweigerd, is dan ook juist.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

284.