Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200206799/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2002, heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen het wijzigingsplan van het bestemmingsplan "Buitengebied Dinteloord" ten behoeve van een toekenning van een bouwblok aan de [locatie], kadastraal bekend sectie [..] nummer […], vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206799/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2002, heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen het wijzigingsplan van het bestemmingsplan "Buitengebied Dinteloord" ten behoeve van een toekenning van een bouwblok aan de [locatie], kadastraal bekend sectie [..] nummer […], vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 december 2002, no. 860064, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 23 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, en appellant sub 2 bij brief van 30 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2003, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 2, vertegenwoordigd door drs. A. Niemantsverdriet-Berkman, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door J.J.W.M.G. Monden, ambtenaar van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat (hierna: Rijkswaterstaat).

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het wijzigingsplan heeft betrekking op een wijziging van een plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied” met de subbestemming “landschappelijke en cultuur-historische waarden” van het bestemmingsplan "Buitengebied Dinteloord" en voorziet in een nieuw bouwblok aan de [locatie] voor de vestiging van een melkveebedrijf.

Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit aan het wijzigingsplan goedkeuring onthouden.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het wijzigingsplan wegens strijd met het streekplan "Brabant in balans" (hierna: het streekplan). Zij stellen dat voldoende inspanningen zijn verricht om te zoeken naar een geschikte vrijkomende agrarische bedrijfslocatie, maar dat dit zonder resultaat is gebleven. Appellante sub 1 voert verder aan dat zij gedwongen is haar melkveehouderij van de huidige bedrijfslocatie te verplaatsen naar een nieuwe locatie vanwege de aanleg van de A4 Dinteloord – Bergen op Zoom en dat bij verplaatsing naar de door Rijkswaterstaat aangeboden locatie aan de [locatie] het toekennen van een nieuw bouwblok noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering. Appellant sub 2 stelt tevens dat het besluit van verweerder op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat verweerder de bij het plan betrokken belangen niet heeft afgewogen.

2.4. Verweerder heeft het wijzigingsplan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt zich op het standpunt dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse op grond van het streekplan niet is toegestaan. Voorts heeft verweerder geen zwaarwegende en dringende redenen aanwezig geacht die noopten tot het volgen van de procedure om van het streekplan af te wijken. Verweerder stelt daarbij dat door de gemeente onvoldoende inzicht is geboden in hoeverre naar een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie is gezocht. Daarnaast is het volgens verweerder planologisch onvoldoende verzekerd dat op de huidige bedrijfslocatie van appellante sub 1 geen nieuwe bebouwing wordt opgericht, mede gelet op het feit dat niet definitief vaststaat dat de aanleg van de A4 ter plaatse zal worden gerealiseerd.

2.5. Het wijzigingsplan is gebaseerd op de wijzigingsbevoegdheid van artikel 25 van het bestemmingsplan "Buitengebied Dinteloord" (hierna: het bestemmingsplan). Gesteld, noch gebleken is dat het wijzigingsplan niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel.

Niet in geding is dat het Tracébesluit A4, Dinteloord - Bergen op Zoom onherroepelijk is. Daarbij is onbestreden dat de bedrijfsgebouwen van appellante sub 1 op de huidige bedrijfslocatie, op één stal na, moeten wijken bij realisering van het tracébesluit.

2.5.1. Het perceel waarop het wijzigingsplan betrekking heeft ligt volgens het streekplan in een gebied met de aanduiding “Agrarische hoofdstructuur, hoofdzone landbouw, subzone AHS-overig”.

In het streekplan is in paragraaf 3.2 vastgelegd dat ten aanzien van agrarische bedrijfslocaties zuinig ruimtegebruik voorop staat. Centraal staat daarbij het hergebruik van vrijkomende bouwblokken boven het toestaan van nieuwe bouwblokken. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

Ten aanzien van de “Agrarische hoofdstructuur, hoofdzone landbouw” houdt het beleid van het streekplan volgens paragraaf 3.4.8 in – voorzover hier van belang – dat nieuwvestiging van grondgebonden veehouderijen uitsluitend is toegestaan als dat noodzakelijk is voor de verplaatsing van een grondgebonden veehouderij uit Midden- en Oost-Brabant. In het streekplan wordt tevens de visie van de provincie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Noord-Brabant voor de termijn tot het jaar 2020 aangegeven door middel van een aantekening in de kantlijn bij de beleidslijnen van hoofdstuk 3 van het streekplan. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat hetgeen in de kantlijnen van hoofdstuk 3 wordt vermeld, moet worden beschouwd als een nadere toelichting op het in dit hoofdstuk geformuleerde beleid. De toelichting bij paragraaf 3.4.8 houdt in – voorzover hier van belang - dat verplaatsing uit een kwetsbaar gebied of vanwege stedelijke uitbreidingen van een grondgebonden veehouderij uit Midden- en Oost-Brabant naar een nieuw bouwblok in West-Brabant aan de orde kan zijn, indien onvoldoende geschikte voormalige agrarische bouwblokken vrijkomen. De Afdeling stelt vast dat het streekplan hier een onderscheid maakt tussen verplaatsing van een grondgebonden veehouderij uit enerzijds Midden- en Oost-Brabant en anderzijds West-Brabant. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat dit onderscheid voortvloeit uit de wettelijke reconstructiegebieden en nauw samenhangt met het project “Revitalisering Landelijk Gebied”. Volgens het bestreden besluit omvat het begrip stedelijke uitbreidingen mede infrastructurele werken. Ter zitting is niet duidelijk geworden waarom voor het verplaatsen van grondgebonden veehouderijen uit West-Brabant ten gevolge van stedelijke uitbreidingen niet dezelfde regeling geldt als voor verplaatsingen uit Midden- en Oost-Brabant. Overigens is de ‘terugbouw’ van burgerwoningen die moeten worden gesloopt voor de uitvoering van infrastructurele werken volgens paragraaf 3.4.13 van het streekplan in het buitengebied in beperkte, door verweerder te bepalen mate, toegestaan.

2.5.2. Met het oog op de realisering van het tracé van de A4 heeft Rijkswaterstaat het perceel aan de [locatie] aangeboden aan appellante sub 1. Wat betreft het onderzoek naar vrijkomende agrarische bouwblokken heeft Rijkswaterstaat ter zitting verklaard dat minimaal tien locaties zijn onderzocht voor het hervestigen van de melkveehouderij van appellante sub 1. Dit is door verweerder niet bestreden. De Afdeling stelt vast dat het daadwerkelijke onderzoek naar vrijkomende agrarische bouwblokken niet door de gemeente, maar door Rijkswaterstaat is verricht. Dit lag in de rede nu de melkveehouderij van appellante sub 1 zal moeten wijken voor het door Rijkswaterstaat te realiseren tracé. Verweerder was van dit laatste op de hoogte en had op grond van zijn eigen onderzoeksplicht kunnen nagaan welke inspanningen door Rijkswaterstaat waren verricht om een geschikte vrijkomende agrarische locatie te vinden. Voorts is gebleken dat Rijkswaterstaat geen vrijkomende agrarische bedrijfslocatie heeft gevonden die, rekening houdend met de wijze waarop appellante sub 1 haar bedrijfsvoering heeft ingericht, voldeed aan de daaraan te stellen eisen. De Afdeling is van oordeel dat bij gebrek aan een geschikte vrijkomende locatie, verweerder had dienen te onderzoeken of er gezien de bijzondere omstandigheden reden was af te wijken van zijn beleid. Hiertoe biedt hoofdstuk 5 van het streekplan de mogelijkheid.

2.5.3. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat planologisch onvoldoende verzekerd is dat op de huidige bedrijfslocatie geen nieuwe bebouwing wordt opgericht, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat verklaard dat deze als nieuwe eigenaar van de huidige bedrijfslocatie alle bedrijfsgebouwen van appellante sub 1 zal slopen. Hoewel herbouw op grond van het vigerende bestemmingsplan rechtens mogelijk zou zijn, acht de Afdeling dit niet aannemelijk gelet op de nabijheid van het tracé en de eisen die ingevolge de Wet geluidhinder aan nieuwe bebouwing zullen worden gesteld.

2.5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 december 2002, kenmerk 860064;

III. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

234-377.