Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
200204733/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Aalten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Industrieterrein II-2000".

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/1969
JOM 2008/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204733/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Natuur en Milieu Aalten", gevestigd te Aalten,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Aalten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

4 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Industrieterrein II-2000".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 2 juli 2002, no. RE2002.12487, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 oktober 2002 heeft verweerder aangegeven dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het indienen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht), gedateerd 11 maart 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2003, waar

appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H. Wassink, ambtenaar der provincie zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad van Aalten G.J. van Lochem, wethouder der gemeente, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een uitbreiding van het industrieterrein bij Aalten in zuid-westelijke richting. Het plangebied wordt begrensd door de Nijverheidsweg, de Eerste Broekdijk en de Zomerweg/Sondernweg.

Verweerder heeft het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat het bestreden besluit met betrekking tot de door haar ingebrachte bedenkingen gebrekkig is gemotiveerd.

De Afdeling is niet gebleken dat de bezwaren van appellante onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken of dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. In zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.3.1. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Zij voert daartoe aan dat het plan in strijd is met het streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan) onder meer wat betreft de keuze van de locatie. Appellante is ook van mening dat het plangebied niet op een toereikende manier wordt ontsloten nu is afgezien van de aanleg van de westelijke randweg. De in het plan voorziene ontsluiting zal leiden tot een aantasting van de groene longfunctie van het gebied. Wat betreft de in het plangebied aanwezige natuurwaarden is zij van mening dat deze onvoldoende zijn onderzocht en dat niet aannemelijk is gemaakt dat een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet zal kunnen worden verleend. Appellante heeft verder bezwaren tegen het plan voorzover dit afschermend groen in de vorm van hoogopgaande beplanting mogelijk maakt als overgang tussen het industrieterrein en het omringende landschap. Zij stelt tenslotte dat ten onrechte ter onderbouwing van het plan rekening is gehouden met de mogelijke toekomstige verlenging van de A18.

2.3.2. Aan de gronden waarop het beroep van appellante ziet, heeft de gemeenteraad de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Groen" en "Verkeersdoeleinden" toegekend waarmee een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein 't Broek met 16,5 hectare mogelijk wordt gemaakt, waarvan ongeveer 11,8 hectare netto uitgeefbaar is. De gemeenteraad komt met dit plan tegemoet aan de behoefte aan bedrijfsterrein in Aalten. Onder andere wordt hierdoor de verplaatsing van bedrijven uit de bebouwde kommen van de gemeente mogelijk gemaakt. De gemeenteraad heeft de keuze voor de locatie ten zuid-westen van de bebouwde kom van Aalten en aansluitend aan het bestaande industrieterrein 't Broek mede gebaseerd op de Structuurvisie West die door de gemeenteraad op 18 oktober 1994 is vastgesteld.

2.3.3. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat de uitbreiding van het industrieterrein in overeenstemming is met het provinciale beleid. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen ontsluiting in combinatie met de bestaande wegenstructuur voorziet in een toereikende ontsluiting van en naar het plangebied. Verweerder heeft verder onder meer overwogen dat de in het plangebied aanwezige natuurwaarden geen belemmering vormen voor de verwezenlijking van het plan.

2.3.4. In het streekplan is de kern Aalten aangemerkt als "Kern met subregionale functie". Blijkens het streekplan hebben sub- en bovenregionale kernen een opgave op grond van provinciale doelstellingen waarbij in de gebiedsgerichte beleidsbeschrijving een omschrijving van de opgave en (al dan niet indicatief) de uitbreidingsrichting is aangegeven. De subregionale functie van Aalten, die zij vervult op grond van haar potenties en ligging aan een hoogwaardige openbaar vervoersvoorziening, komt blijkens deze gebiedsbeschrijving vooral tot uitdrukking in bedrijventerreinontwikkeling. Als algemeen beleidsuitgangspunt geldt voor bedrijvigheid dat deze zich zoveel mogelijk geconcentreerd bij de kern moet ontwikkelen. Bij de belangenafweging voor de locatiekeuze van nieuwe werkgebieden dient de bereikbaarheid nadrukkelijk te worden betrokken. De gronden rond Aalten zijn verder aangewezen als "landelijk gebied C" waarvoor als essentiële beleidsuitspraak geldt dat de landbouw in het gebied de belangrijkste functie is. Ontwikkelingen in de landbouw en van andere functies dienen, volgens het streekplan, zodanig te worden vormgegeven of gesitueerd dat het karakteristieke landschap en de cultuurhistorische waarden worden behouden. De Afdeling acht voornoemd beleid niet onredelijk.

Op de streekplankaart is het bestaande bedrijventerrein ten zuidwesten van de kern aangewezen als "werkfunctie" met de aanduidingen "bestaand" en "te ontwikkelen/versterken". In de Partiële Herziening van het streekplan, vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland op

21 juni 2000, is aangegeven dat de aanduiding "te ontwikkelen/te versterken" betrekking heeft op enerzijds bestaande plancapaciteit en anderzijds op door de provincie geaccordeerde nog niet in uitvoering genomen bestemmingsplannen, dan wel op door de provincie zelf opgestelde of onderschreven structuurplannen, -visies of -schetsen. Ten zuiden van de kern en ten oosten van het bestaande bedrijventerrein is een licht gekleurd blokje op de streekplankaart met de aanduiding "nader te bepalen" opgenomen. Blijkens de Partiële Herziening wordt hiermee bedoeld indicatieve ontwikkelingsrichtingen, gebaseerd op structuurplannen, - visies, -schetsen en/of bestemmingsplannen waarover in het overleg ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) positief is geadviseerd.

2.3.5. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan op dit punt niet in overeenstemming met het streekplan heeft kunnen achten. Blijkens het renvooi op de streekplankaart grenst de voorziene uitbreiding aan gronden die zijn aangeduid als werkfunctie, bestaand en te ontwikkelen/te versterken. Weliswaar kan uit de aanduiding op de streekplankaart worden afgeleid dat de indicatieve uitbreiding in zuidoostelijke richting is voorzien, echter gelet op het streekplanbeleid dat er onder meer tevens op is gericht dat bedrijvigheid zoveel mogelijk geconcentreerd bij de kern moet plaatsvinden, heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze voor een locatie ten westen van en aansluitend op het bestaande terrein, dat op kortere afstand van het centrum en de spoorlijn ligt. Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat in de voornoemde Structuurvisie-West van 1994, waarin een ruimtelijke visie voor de ontwikkeling van de westzijde van de kern van Aalten voor de komende twintig jaar wordt gegeven, onder meer deze locatie is genoemd als gebied waar industrieontwikkeling zou kunnen plaatsvinden. Vast staat dat de provinciale diensten en de Inspectie Ruimtelijke Diensten in het kader van het artikel 10-Bro overleg ingestemd hebben met deze uitbreidingsrichting. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat de gronden van de voorziene uitbreiding in landelijk gebied C liggen in dit geval aan uitbreiding van het bedrijventerrein in de weg staat. In hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met het door verweerder gevoerde provinciale beleid. Het beroep van appellante geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

2.3.6. Wat betreft de ontsluiting van het plangebied blijkt uit de plantoelichting dat het bedrijventerrein zal worden ontsloten door twee brede hoofdontsluitingen (van de Nijverheidsweg naar de Zomerweg en van de Eerste Broekdijk naar de Sondernweg) die elkaar halverwege het plangebied kruisen en door de verlenging van de Broekstraat die haaks op de hoofdontsluiting ligt. In het kader van de Structuurvisie West is onderzoek verricht naar de bestaande verkeerssituatie en de effecten van toekomstige woningbouw en bedrijvigheid op de bestaande infrastructuur. Naar aanleiding daarvan is de voorkeur uitgesproken voor het ontwikkelen van een westelijke randweg op ongeveer 1000 meter ten westen van het plangebied.

De Afdeling overweegt dat, gelet op de stukken en mede gezien het deskundigenbericht, niet is gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestemmingsplan opgenomen ontsluiting in combinatie met de bestaande wegenstructuur voorziet in een toereikende ontsluiting van en naar het plangebied. De uitbreiding van het industrieterrein noodzaakt niet tot de aanleg van de randweg en is daarmee niet onlosmakelijk verbonden. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat ook als de aanleg van de randweg niet door zou gaan sprake zal zijn van een zodanig ernstige aantasting van de groene longfunctie van het gebied door aanleg van het bedrijventerrein dat verweerder hieraan niet in redelijkheid heeft kunnen voorbij gaan.

2.3.7. Wat betreft de stelling van appellante dat de in het plangebied aanwezige natuurwaarden onvoldoende zijn onderzocht en dat niet aannemelijk is gemaakt dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor de verstoring van de verblijfplaatsen van bepaalde diersoorten zal kunnen worden verleend, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit de stukken blijkt dat de uitbreiding voornamelijk is voorzien op gronden van een voormalige boomkwekerij en tuinbedrijf en op gronden die in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. De gemeenteraad heeft met het oog op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan een nadere inventarisatie van de natuur- en landschapswaarden en de doorwerking van de Habitatrichtlijn in het plangebied laten uitvoeren door S.A.B. adviseurs voor ruimtelijke ordening BV te Arnhem. Dit inventarisatierapport is opgenomen in bijlage III van de plantoelichting. In dit rapport is gebruik gemaakt van de flora- en faunainventarisatie van september 2000 die in opdracht van appellante is uitgevoerd. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat het onderzoeksgebied waarin aan de zuidzijde een bosperceel ligt, groter is dan het plangebied. Derhalve valt niet uit te sluiten dat sommige in het rapport genoemde soorten buiten het plangebied zijn waargenomen. Uit deze rapporten blijkt dat door de aanleg van het bedrijventerrein enkele biotopen zullen verdwijnen waardoor het gebied in mindere mate geschikt zal zijn voor diverse broedvogels, dagvlinders en kleine zoogdieren. Voorts wordt geconcludeerd dat enkele bestaande waardevolle elementen zullen worden behouden en dat nieuwe elementen worden geïntroduceerd, zoals open water in aansluiting op de bestaande bosjes en het aangrenzende landelijke gebied, waardoor een nieuwe biotoop zal worden gevormd. Uit de rapporten blijkt verder dat in het gebied een aantal algemeen voorkomende soorten vleermuizen aanwezig is, waarvan de gewone grootoorvleermuis en de rosse vleermuis op bijlage IV van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) staan vermeld. Voorts komen er vele soorten vogels voor, waarvan de groene specht en de geelgors op de zogenoemde Rode lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende vogelsoorten voorkomen. Niet is gebleken dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

Mede gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Vast staat verder dat het plangebied niet is aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn, of is aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn, dan wel dat het op grond van de Flora- en faunawet of de Natuurbeschermingswet gebiedsbescherming geniet. Van de in het plangebied voorkomende soorten vallen de vogels en de soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn onder het beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Ingevolge artikel 11 van de Flora- en faunawet is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Uit de onderzoeken blijkt op voorhand niet dat het plangebied kan worden aangemerkt als een voortplantings- of rustgebied voor vleermuizen, als bedoeld in artikel 11 van de Flora- en faunawet. Wat betreft de in het plangebied voorkomende vogels is niet aannemelijk gemaakt dat in het plangebied sprake is van de in voornoemd artikel bedoelde vaste rust- of verblijfsplaatsen. Daarvan uitgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat wanneer de inrichtingswerkzaamheden niet in de broedperiode zullen plaatsvinden, geen ontheffing nodig is van het verbod van artikel 11 van de Flora- en faunawet om nesten te verstoren. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de activiteiten die het plan mogelijk maakt, zullen leiden tot een overtreding van voornoemde verbodsbepaling. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder er in redelijkheid van kon uit gaan dat hetgeen appellante in dit verband naar voren heeft gebracht niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.3.8. Appellante heeft verder aangevoerd dat het doel van het plan om met afschermend groen een overgang en of afscherming te verwezenlijken tussen het industrieterrein en het landschap niet kan worden bereikt door de in het plan opgenomen bomenrij. Ter zitting is gebleken dat dit bezwaar betrekking heeft op de strook grond langs de Zomerweg die aan de westzijde van het plangebied ligt.

Deze gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend, zijn over een breedte van 7 meter op de plankaart aangewezen als "groenstrook". Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zijn op deze gronden uitsluitend groenvoorzieningen toegestaan. Blijkens de plantoelichting is deze strook bedoeld om een goede overgang naar het buitengebied te realiseren. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bestemming een goede overgang tussen het industrieterrein en het landschap mogelijk kan maken.

2.3.9. Voorzover appellante heeft aangevoerd dat onvoldoende aandacht is geschonken aan de hydrologische aspecten van het plan, heeft verweerder overwogen dat in het kader van de planbeoordeling het aspect hydrologie altijd wordt betrokken. Indien het plan daartoe aanleiding geeft zal op dit aspect bij de planbeoordeling worden ingegaan, aldus verweerder. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerder dit aspect onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken.

2.3.10. De Afdeling kan appellante voorts niet volgen in haar betoog dat bij de ontwikkeling van het plan ten onrechte rekening is gehouden met de verlenging van de A18. Het standpunt van verweerder dat het belang van de ontwikkeling van het bedrijventerrein los staat van het wel of niet doorgaan van de verlenging van de A18, acht de Afdeling niet onredelijk.

2.3.11. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan in zoverre.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. Vis, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vis w.g. A.L.P. van Os-Ravesloot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003

248.