Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
200206714/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren de uitwerking van het bestemmingsplan "Ter Sype" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/3 met annotatie van H.J. de Vries
Milieurecht Totaal 2003/1139
JOM 2006/958
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206714/1

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Transportbedrijf Van de Wetering Loosdrecht B.V.",

gevestigd te Loosdrecht,

2. [appellant sub 2] e.a., allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren de uitwerking van het bestemmingsplan "Ter Sype" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 oktober 2002, kenmerk 2002-30199, beslist over de goedkeuring van de uitwerking.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 23 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 2 en de gemeenteraad van Wijdemeren. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 2, in de persoon van [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. Verweerder en het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren hebben ter zitting aangevoerd dat het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de betrokken appellanten geen belanghebbenden zijn.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) in samenhang met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) door een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Appellanten sub 2 zijn bewoners van gronden die grenzen aan of liggen nabij het gebied van de voorliggende uitwerking, en hebben zicht op dit gebied. Gelet hierop kunnen appellanten sub 2 worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat zij aan artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de WRO in samenhang met artikel 8:1 van de Awb een recht tot het instellen van beroep kunnen ontlenen. Het beroep van appellanten sub 2 is derhalve ontvankelijk.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerking. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerking dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of de uitwerking binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat de uitwerking en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van de uitwerking overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. De uitwerking beoogt de bouw van een woonwijk te Loosdrecht mogelijk te maken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de uitwerking goedgekeurd.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte de uitwerking heeft goedgekeurd.

Appellante sub 1, die een transportbedrijf gespecialiseerd in het vervoer van schepen uitoefent, voert daartoe aan dat de feitelijke geluidsproductie van het bedrijf zodanig is dat in de woonwijk geen goed woon- en leefklimaat kan worden bereikt. Zij voert thans overleg over aanpassing van de milieuvergunning of verplaatsing van het bedrijf. Appellante sub 1 vreest dat zij wordt geconfronteerd met woningbouw die haar situatie ernstig zal benadelen.

Appellanten sub 2, die in grote meerderheid bewoners zijn van de naastgelegen wijk, voeren daartoe aan dat woningbouw in het plangebied op grond van de geluidshinder en de veiligheid van de vliegbewegingen vanaf het vliegveld Hilversum onverantwoord is. Daarnaast voeren zij aan dat de verkeersinfrastructuur van de geplande wijk naar de huidige maatstaven ontoereikend is en dat zij op grond daarvan overlast in hun wijk verwachten.

2.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitwerking voldoet aan de bij het bestemmingsplan gegeven regelen en evenmin strijdig is met een goede ruimtelijke ordening, aangezien woningbouw op de betrokken gronden vanuit akoestisch oogpunt aanvaardbaar is. Ten aanzien van appellante sub 1 neemt hij mede in aanmerking dat het bedrijf illegaal gevestigd is en dat gestreefd dient te worden naar verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein.

2.6. De Afdeling neemt in aanmerking dat het bestemmingsplan “Ter Sype” op 30 juni 1983 is vastgesteld. De in dit plan opgenomen uitwerkingsplicht voor de in het geding zijnde woningbouw is op 21 augustus 1984 goedgekeurd en op 10 december 1987 onherroepelijk geworden.

Sinds 31 januari 1991 geldt het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart. In dat besluit is met ingang van 1 januari 2001 47 bkl opgenomen als normstelling ten aanzien van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor na de vaststelling van een geluidszone nieuw te bouwen woningen.

Na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gestart met een procedure tot onder meer de vaststelling van geluidszones rond het vliegveld Hilversum. Ten tijde van het bestreden besluit was daartoe een concept-zoneringsbesluit bij verweerder bekend. Op 16 april 2003 is het besluit, houdende wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Hilversum, alsmede vaststelling van de geluidszone, genomen. Op 1 mei 2003 is het besluit in de Staatscourant geplaatst en op 3 mei 2003 is het in werking getreden.

De in de uitwerking begrepen gronden liggen geheel binnen de 47 bkl-geluidszone.

2.7. De Afdeling overweegt dat, zoals reeds onder 2.2. is opgenomen, verweerder bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerking niet alleen dient te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan, maar tevens dient te bezien of de uitwerking niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat naarmate een bestemmingsplan jonger is het er eerder voor kan worden gehouden dat een goede ruimtelijke ordening is ingesloten in de uitwerkingsregelen. Naarmate een bestemmingsplan ouder is zal de toets of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening meer nadrukkelijk dienen plaats te vinden.

In het onderhavige geval was het bestemmingsplan ten tijde van het bestreden besluit bijna achttien jaar tevoren goedgekeurd. In zodanig geval zal naast de toetsing aan de uitwerkingsregelen uitdrukkelijk onder ogen moeten worden gezien of de vastgestelde bestemmingen in strijd komen met een goede ruimtelijke ordening. Bij deze toets dient in aanmerking te worden genomen dat het plangebied in de nabijheid van het vliegveld ligt, de woningen in het verlengde van een van de startbanen zijn gesitueerd, en de geluidsbelasting in de loop der tijd zodanig hoog geworden is, dat reeds in het concept-zoneringsbesluit het gehele plangebied binnen de 47 bkl-geluidszone ligt. Dit schept het vermoeden dat woningbouw in het plangebied beoordeeld uit een oogpunt van geluidsbelasting ook ten tijde van het bestreden besluit al niet aanvaardbaar is.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat op verweerder de last rust om dit vermoeden te ontzenuwen en te motiveren waarom de uitwerking geacht moet worden niet strijdig te zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het vermoeden dat de toegestane woningbouw vanuit akoestisch oogpunt niet aanvaardbaar is, is in het bestreden besluit onvoldoende ontzenuwd door het argument dat de geluidsbelasting vanwege het vliegveld zal afnemen vanwege een geprojecteerde vervanging van de grasbanen door één verharde baan, nog daargelaten dat geen zekerheid bestaat omtrent een vervanging van de grasbanen en de daaraan verbonden gevolgen. Tevens kan geen betekenis worden toegekend aan een mogelijk te verlenen ontheffing, aangezien het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart geen mogelijkheid tot ontheffing kent.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn reeds om deze reden gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige argumenten geen behandeling meer.

2.8. De Afdeling merkt nog het volgende op. Nu op 3 mei 2003 de wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Hilversum alsmede de vaststelling van de geluidszone in werking zijn getreden, komt de bouw van de beoogde woningen in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aangezien artikel 7, eerste en tweede lid, van het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart in samenhang bezien bepaalt dat 47 bkl de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is van geluidsgevoelige objecten die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend. Dit zou reden kunnen zijn voor de Afdeling om zelf in deze zaak te voorzien en aan het besluit van 13 augustus 2002 goedkeuring te onthouden. De Afdeling doet dit niet. Zoals ter zitting is gesteld, is tegen het wijzigingsbesluit en de daarin opgenomen geluidszone bezwaar gemaakt. De bezwaren richten zich onder meer tegen het banenstelsel. Indien bij de heroverweging op de bezwaren alsnog een ander banenstelsel wordt gekozen, bestaat de mogelijkheid dat de geluidszone alsdan zodanig komt te liggen dat het plangebied buiten de 47 bkl-geluidszone valt. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het in de rede liggen dat een nieuw besluit omtrent de goedkeuring van het besluit van 13 augustus 2002 door verweerder eerst wordt genomen na het onherroepelijk worden van het wijzigingsbesluit.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 29 oktober 2002, kenmerk 2002-30199;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 799,08; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald:

a. aan appellante sub 1 een bedrag van € 680,70, waarvan een

gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde

beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan appellanten sub 2 een bedrag € 118,38;

IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten de door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierechten (€ 218,00 voor appellante sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Snijders

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003

279