Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
200300393/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2002, nr. 3236, heeft verweerder een door [partij] gedane melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

Bij besluit van 10 december 2002, nr. 2002.4638/4964/8595, verzonden op 11 december 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar voorzover hier van belang ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300393/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2002, nr. 3236, heeft verweerder een door [partij] gedane melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

Bij besluit van 10 december 2002, nr. 2002.4638/4964/8595, verzonden op 11 december 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar voorzover hier van belang ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2003, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2003, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en J. Verhoeven, adviseur, en verweerder, vertegenwoordigd door H. Staassen en ing. P.H. Megens, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], beiden directeur, en R. Brink, adviseur.

2. Overwegingen

2.1. De veranderingen van de inrichting die [partij]. op 17 december 2001, aangevuld op 19 februari 2002 en 21 maart 2002, heeft gemeld hebben onder meer betrekking op het binnen de inrichtingsgrenzen:

- in werking hebben van de wasstraat met geopende deur aan de westzijde daarvan;

- wijzigen van de transportbewegingen aan de westzijde van het bedrijfsgebouw;

- in werking hebben van een stofzuiger waarvan de motor inpandig is geplaatst en het verplaatsen van een rooster waarop automatten met de hand kunnen worden uitgeklopt.

Bij besluit van 11 juni 2002 zijn deze veranderingen geaccepteerd.

2.2. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure slechts bezwaren aan de orde kunnen komen die betrekking hebben op het bestreden besluit.

Dit betekent dat de bezwaren van appellanten, dat aan de revisievergunning van 6 juli 1999, kenmerk MV 2403, ontoereikende voorschriften zijn verbonden ter beperking van de geluidhinder en dat verweerder heeft miskend dat het onderhavige tankstation met het naastgelegen garagebedrijf één inrichting vormt, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.4. Appellanten voeren aan dat verweerder niet zonder meer de gedane melding heeft kunnen accepteren, omdat door deze veranderingen de in voorschrift C.1 behorende bij de revisievergunning van 6 juli 1999 genoemde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. In dat kader betogen zij, kort weergegeven, dat verweerder naar aanleiding van de bovengenoemde veranderingen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het in werking zijn van de gehele inrichting ter plaatse van de immissiepunten opnieuw had moeten beoordelen in plaats van enkel de veranderingen. Tevens voeren zij aan dat niet is onderzocht welke wasprogramma’s van de wasstraat in welke mate worden gebruikt. Verder betogen zij dat het geluid afkomstig van de mattenklopper dient te worden aangemerkt als impulsachtig geluid en derhalve de geldende correctiefactor in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) had dienen te worden verdisconteerd.

2.4.1. Ten behoeve van de melding zijn door Adviesbureau Peutz en Associes geluidtechnisch onderzoeken verricht. Van deze onderzoeken zijn onder meer de rapporten opgemaakt met de kenmerken FA 4787-2 e en FA 4787-3, gedateerd op 7 december 2001 en respectievelijk 13 februari 2002. In beide rapporten wordt geconcludeerd dat door het in werking zijn van de inrichting met inachtname van de gemelde veranderingen de in de revisievergunning van 6 juli 1999 vergunde geluidruimte niet zal worden overschreden.

Voorzover appellanten betogen dat verweerder naar aanleiding van de bovengenoemde veranderingen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het in werking zijn van de gehele inrichting ter plaatse van de immissiepunten opnieuw had moeten beoordelen in plaats van de enkel de veranderingen te beoordelen, stelt de Afdeling vast dat uit beide rapporten naar voren is gekomen dat het bij de aanvraag om de onderliggende revisievergunning gehanteerde rekenmodel is geactualiseerd met de gemeten geluidniveaus vanwege de bovengenoemde veranderingen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege deze veranderingen is aan de hand van dit geactualiseerd model berekend voor de immissiepunten zoals weergegeven in voorschrift C.1 behorende bij de revisievergunning 6 juli 1999. De Afdeling acht deze werkwijze van verweerder niet onjuist.

Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat niet is onderzocht welke wasprogramma’s van de wasstraat in welke mate worden gebruikt, stelt de Afdeling vast dat blijkens de brief van Adviesbureau Peutz en Associes van 4 juli 2003, kenmerk RB/KD/FA 4787-4-BR, bij deze berekening is uitgegaan van de in het akoestisch rapport van 7 april 1999, kenmerk F 4787-1, vermelde gemiddelde duur van een wasprogramma van zes minuten en dat 50 personenauto’s per dag daarvan gebruik maken. Dit acht de Afdeling niet onjuist.

Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat het geluid afkomstig van de mattenklopper dient te worden aangemerkt als impulsachtig geluid en de daarvoor geldende correctiefactor in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) had dienen te worden verdisconteerd, overweegt de Afdeling dat, los van de vraag of het geluid van de mattenklopper kan worden aangemerkt als impulsachtig geluid, de correctiefactor, gelet op de korte duur van deze activiteit, nauwelijks in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) tot uitdrukking zal komen.

Op grond van vorenstaande en hetgeen appellanten in dit kader verder nog hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de gedane melding in zoverre niet zonder meer heeft kunnen accepteren, nu het in voorschrift C.1 behorende bij de vergunning van 6 juli 1999 gestelde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) niet zal worden overschreden en de vergunning derhalve naleefbaar blijft. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.5. Verder betogen appellanten dat gelet op voorschrift C.4 behorende bij de revisievergunning van 6 juli 1999 een toename van het maximale geluidniveau in het kader van deze melding niet kan worden toegestaan. Zij stellen dat een verandering van de inrichting op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer niet mag leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Zij wijzen in dit kader met name op de immissiepunten 1 en 2, waar het maximale geluidniveau naar hun mening ten onrechte buiten beschouwing blijft.

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat in voorschrift C.4 behorende bij de geldende revisievergunning van 6 juli 1999 geen grenswaarden zijn gesteld aan het maximale geluidniveau (Lmax) ter plaatse van de immissiepunten 1 en 2. Dit betekent dat voor de omvang van het maximale geluidniveau, dat de inrichting ter plaatse van deze immissiepunten op grond van de onderliggende vergunning mag veroorzaken, de vergunde situatie bepalend is.

Uit de aanvraag die deel uitmaakt van de op 6 juli 1999 verleende revisievergunning komt onder meer naar voren dat ongeveer éénmaal per week LPG achter op het terrein van de inrichting zal worden afgeleverd. De route van de LPG-tankwagen ligt aan de westkant van de bedrijfsbebouwing. Daarnaast wordt éénmaal per week het bedrijfsafval opgehaald op het oostelijk deel van het voorterrein van de inrichting. Voorts beschikt de inrichting over een autostofzuiger.

Blijkens de stukken zijn voor de immissiepunten 1 en 2 met name de eerdergenoemde vrachtwagenbewegingen van belang voor de bepaling van de in het kader van deze melding toegestane omvang van het maximale geluidniveau.

Uit de melding komt naar voren dat nog slechts in de oneven weken het bedrijfsafval zal worden opgehaald en in de even weken de inrichting zal worden bevoorraad met LPG. Het ophalen van het bedrijfsafval zal echter voortaan plaatsvinden aan de westelijke zijde van de inrichting.

De Afdeling constateert dat de vorenstaande veranderingen niet tot gevolg hebben dat het aantal vrachtwagenbewegingen aan de westelijke zijde van de inrichting zal toenemen, zodat voor wat betreft deze vrachtwagenbewegingen binnen de vergunde situatie kan worden gebleven. Gelet hierop is de Afdeling dan ook van oordeel dat verweerder derhalve ook in dit opzicht in redelijkheid de gedane melding heeft kunnen accepteren.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.6. Voorzover appellanten, kort weergegeven, naar voren hebben gebracht dat de aan de revisievergunning verbonden voorschriften niet worden of niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze onderdelen geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande melding en derhalve om die reden niet kunnen slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003

315-375.