Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
200206282/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2002, kenmerk 02.0009151, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een tankstation op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/2327
JOM 2008/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206282/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2002, kenmerk 02.0009151, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een tankstation op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 26 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2002, appellanten sub 2 bij brief van 21 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2002, en appellant sub 3 bij brief van 20 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts (advocaat te Den Bosch), [gemachtigden], appellanten sub 2 vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen (advocaat te Eindhoven), appellant sub 3 [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H.C.R. van Heeswijk, ing. Ag. M. Middendorp en ing. T.S. Schoon (ambtenaren van de gemeente) zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 2 stellen dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen door het hoofd van de sector grondgebiedzaken. Hiertoe voeren zij aan dat in artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat geen mandaat kan worden verleend als de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet.

Tevens wijzen zij op het mandaatbesluit van de gemeente Son en Breugel van maart 1994, waaruit blijkt dat niet bij mandaat kan worden beslist door een ambtenaar wanneer de gevraagde milieuvergunning moet worden geweigerd.

Ten slotte merken zij op dat op een binnen de gemeente ongebruikelijke wijze en op een ongebruikelijk tijdstip op de vergunningaanvraag is beslist.

2.1.1. Verweerder voert aan dat de door appellante sub 2 aangedragen gronden niet zien op besluiten ter uitvoering van de Wet milieubeheer. Hij stelt in zijn mandateringsbesluit van 15 februari 1994 het verlenen van vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer aan het sectorhoofd grondgebiedzaken te hebben gemandateerd. Slechts het weigeren van dergelijke vergunningen is gemandateerd aan de portefeuillehouder.

2.1.2. De Afdeling overweegt dat het volgens haar jurisprudentie toegestaan is om de bevoegdheid om op een milieuvergunningaanvraag te beslissen aan een ambtenaar te delegeren. Blijkens het mandaatbesluit van de gemeente Son en Breugel kan het hoofd van de sector grondgebiedzaken een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verlenen, maar niet weigeren. Van weigeren van de vergunning is hier geen.

Het door verweerder op een ander dan wellicht voor verweerder gebruikelijk tijdstip nemen van het onderhavige besluit kan bij de beoordeling van dit besluit geen rol spelen. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.2. Appellante sub 1 voert aan dat de openingstijd van het tankstation ten onrechte is beperkt tot 21.00 uur. Er is volgens haar geen rekening gehouden met het op grond van de oude milieuvergunning verkregen recht om de inrichting zowel in de dag-, de avond- als de nachtperiode geopend te hebben.

2.2.1. Verweerder stelt dat in de door hem gehanteerde Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 wordt uitgegaan van een maximaal geluidsniveau van 65 dB(A) voor de avondperiode. Uit de bij de aanvraag gevoegde akoestische rapporten blijkt dat de onderhavige inrichting op waarneempunt 13/14 in de avondperiode deze norm voor het maximaal geluidsniveau met 3 dB(A) overschrijdt. Verweerder stelt dat er sprake is van bestaande rechten omdat ook in de oude vergunde situatie in de avondperiode piekniveaus van meer dan 65 dB(A) werden toegestaan. Tevens verwijst hij naar voorschrift 3.3 van het Besluit tankstations milieubeheer, waar tussen 07.00 uur en 21.00 uur maximale geluidsniveaus tot 70 dB(A) worden toegestaan. Een uitbreiding van de huidige openingstijden van 07.00 tot 21.00 uur tot 23.00 uur is volgens verweerder echter niet verdedigbaar op grond van bestaande rechten en ook op milieuhygiënische gronden ongewenst.

2.2.2. De Afdeling overweegt dat in de oude milieuvergunning geen beperking in de openingstijden van de inrichting was opgenomen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt echter dat niet kon worden voldaan aan de in de oude milieuvergunning opgenomen geluidsvoorschriften. Gelet hierop, op de verlengde avondperiode tot 21.00 van het Besluit tankstations milieubeheer en op de in de akoestische rapporten op waarneempunt 13/14 voor de avondperiode geconstateerde overschrijding van de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 opgenomen geluidsnorm voor het maximaal geluidsniveau, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellante sub 1 aangevraagde avondopenstelling tot niet langer dan 21.00 uur kon worden vergund. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3. Appellante sub 1 voert verder aan dat verweerder bij de bepaling van de geluidsnormen ten onrechte is uitgegaan van een toekomstige daling van het referentieniveau door een verwachte daling van de verkeersintensiteit op de Eindhovenseweg.

2.3.1. Verweerder voert aan dat het heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid wordt bepaald door het verkeersgeluid op de Eindhovenseweg. Het verkeer op deze weg zal in de nabije toekomst sterk afnemen door de aanleg van de A50. Hij stelt deze toekomstige ontwikkeling niet gebaseerd te hebben op het heersende geluidsniveau maar op het in de nabije toekomst te verwachten lagere geluidsniveau.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat tijdens het nemen van het bestreden besluit reeds begonnen was met het omleggen van de A50 en dat de afronding van deze omlegging medio 2003 werd verwacht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder de effecten van de aanleg en de ingebruikneming van de A50 op goede gronden heeft aangemerkt als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4. Appellanten sub 2 voeren aan dat de bij de aanvraag behorende akoestische rapporten niet representatief zijn en dat verweerder daarom ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangevraagde activiteiten niet zullen leiden tot onaanvaardbare geluidshinder. Hierbij stellen zij dat deze akoestische rapporten ten onrechte uitgaan van een gelijkblijvend aantal verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting. Een door de omleiding van de A50 veroorzaakte verkeersafname op de Eindhovenseweg zal volgens appellanten sub 2 niet leiden tot een vermindering van het aantal tankende bezoekers, nu in een eerdere procedure door verweerder is gezegd dat het in dit geval gaat om een plaatselijk verzorgend bedrijf en dat het tankstation nauwelijks profiteert van het verkeer op de Eindhovenseweg.

Tevens stellen zij dat het aantal afleverpunten weliswaar gelijk blijft, maar dat de brandstoffen die voorheen in zeer beperkte mate, zowel qua frequentie als qua hoeveelheid werden getankt, zoals huisbrandolie en petroleum vervangen worden door euroloodvrij en diesel. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om op zes plaatsen deze brandstoffen te tanken, waarmee de doorstroomsnelheid zal toenemen en de wachttijden zullen verminderen en het station aantrekkelijker zal worden voor tankende bezoekers. Een toename van het aantal bezoekers ligt daarmee, volgens appellanten sub 2, in de rede. Ook de uitbreiding van de inrichting met een nieuwe shop, een wasstraat en wasboxen, zal het tankstation aantrekkelijker maken, zodat het aantal bezoekers zal toenemen. In de rapporten is, volgens appellanten sub 2, ten onrechte ook geen rekening gehouden met het geluid van het afnemen en terughangen van de afleverslangen en het geluid van autoradio’s.

2.4.1. Verweerder voert aan vanwege de toekomstige omleiding van de A50 geen toename van het aantal tankende bezoekers te verwachten. Ter zitting geeft hij aan geen rekening met eventuele door autoradio’s veroorzaakte geluidshinder te hebben gehouden omdat dit niet is aangevraagd.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat het door de inrichting veroorzaakte langetijdgemiddelde geluidsniveau afhankelijk is van het aantal bezoekers van het tankstation. Bij de beoordeling hiervan is op basis van tankgegevens uit de jaren 1992-1999 uitgegaan van een daling van het aantal bezoekers. Hoewel niet onomstotelijk vastgesteld kan worden of de aan de orde zijnde wijzigingen tot een toe- dan wel afname van het bezoekersaantal zullen leiden is de Afdeling gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, met name, in het aanvullend akoestisch rapport is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie. Hierbij overweegt de Afdeling dat een eventuele overschrijding van de in de akoestische rapporten gehanteerde bezoekersaantallen al snel tot een overtreding van de geluidsvoorschriften zou leiden, wat voor verweerder aanleiding tot het ondernemen van handhavingsacties zou moeten zijn. Deze beroepsgrond kan in zoverre derhalve geen doel treffen.

Uit de stukken blijkt dat het geluid van het afnemen en terughangen van de afleverslangen geen relevante bijdrage aan het door de onderhavige inrichting geproduceerde geluid levert. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat verweerder bij zijn beoordeling van door de inrichting veroorzaakte geluidshinder geen aandacht heeft besteed aan eventuele door autoradio’s veroorzaakte hinder. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre derhalve een deugdelijke motivering en verdraagt zich in dit opzicht niet met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Appellant sub 3 voert aan dat zijn woning aan de [locatie] binnen de risicocontouren van 10-5 en 10-6 voor een letaal ongeval met LPG ligt. Volgens appellant sub 3 zal de kans op een ramp toenemen door de intensivering van het vrachtverkeer voor de aanvulling van de LPG-voorraad. Hij is van mening dat de huidige uitbreiding en wijziging van de inrichting het juiste moment is om veiligheidsmaatregelen te treffen. Volgens hem is het niet reëel hier mee te wachten tot het in werking treden van de in het “Ontwerpbesluit vaststelling kwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer” genoemde termijnen. Daarnaast is appellant van mening dat verweerder de externe veiligheid niet aan richtlijn CPR 8-1 had mogen toetsen omdat er woningen binnen een straal van 15 meter van de aansluitpunten van de leidingen en van het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir zijn gelegen.

2.5.1. Verweerder is van mening dat de risico’s in voldoende mate worden beperkt door de voorschriften in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer en de voorschriften in de richtlijn CPR 8-1. Volgens verweerder voldoet de inrichting aan de afstandseisen van het besluit en kan hij de vergunningaanvraag niet aan een nog niet in werking getreden ontwerpbesluit toetsen.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht en de bij de aanvraag behorende plattegrondtekening

H-1, blijkt dat de afstand tussen aansluitpunten van de leidingen, alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir van de LPG-installatie en woningen van derden meer dan 20 meter bedraagt. Gelet hierop voldoet de onderhavige inrichting aan de in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer opgenomen afstandscriteria. Tevens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de externe veiligheid aan richtlijn CPR 8-1 diende te worden getoetst. De Afdeling overweegt verder dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige vergunningaanvraag niet aan het Ontwerpbesluit vaststelling kwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer behoefde te worden getoetst. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.6. Het beroep van appellanten sub 2 is gegrond voor zover in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met eventuele door autoradio’s veroorzaakte geluidshinder. Het besluit komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 2 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel van 30 september 2002, 02.0009151, voor zover daarbij geen rekening is gehouden met eventuele door autoradio’s veroorzaakte geluidshinder;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Son en Breugel te worden betaald aan appellanten sub 2;

VI. gelast dat de gemeente Son en Breugel aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003

315.