Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
200204849/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan [partij] voor het tijdvak 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 verleende huursubsidie nader vastgesteld op nihil en het teveel betaalde van haar teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 114 met annotatie van M. Harmsen, M.A. Heldeweg
Module Vastgoed en wonen 2003/472
JB 2003/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204849/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 14 augustus 2002 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris (thans de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan [partij] voor het tijdvak 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 verleende huursubsidie nader vastgesteld op nihil en het teveel betaalde van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 30 november 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 augustus 2002, verzonden op 22 augustus 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de Minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 maart 2003 heeft [partij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2003, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunissen, advocaat te Den Haag, en [partij] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit van 30 april 1999 is op die dag naar het adres [locatie a] te [plaats] verzonden. [partij] was daar op dat moment niet woonachtig. Bij brief van 20 juli 1999 is een afschrift van het besluit naar het adres [locatie b] te [plaats] verzonden. Hoewel [partij] op dat moment ook op dat adres niet meer woonachtig was, heeft deze brief haar eind juli/begin augustus wel bereikt.

2.2. De rechtbank heeft volgens de Minister miskend dat het besluit van 30 april 1999 op die dag door de verzending naar het adres, waar [partij] volgens zijn adresbestand op dat moment woonachtig was, bekend is gemaakt, zij het bezwaarschrift niet binnen zes weken heeft ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, nu het op haar weg lag om haar adreswijzigingen door te geven en zij dat niet heeft gedaan.

2.3. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 15 augustus 2001 in zaak no. 200003719/1, JSV 2001/183), mag een bestuursorgaan er in beginsel van uitgaan dat een opgegeven correspondentieadres juist is. De Minister heeft gesteld geen verhuisbericht van [partij] te hebben ontvangen. De enkele, niet nader toegelichte, stelling van [partij] dat zij bij haar verhuizing het verhuisbericht van de PTT heeft gebruikt en zij zich meent te herinneren alle overheidsorganen en dus ook het betrokken ministerie te hebben aangestreept is onvoldoende om als gemotiveerde betwisting van die stelling te worden aanvaard. De Minister had ten tijde van het verzenden van het besluit van 30 april 1999 ook anderszins geen reden om aan te nemen dat [partij] niet meer op het opgegeven adres woonachtig was en mocht er mitsdien van uitgaan dat dit adres juist was. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het besluit met de toezending aan het adres [locatie a] te [plaats] op 30 april 1999 derhalve op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5. Gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:7 van deze wet, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift geëindigd op 11 juni 1999. [partij] heeft het bezwaarschrift op 16 augustus 1999 verzonden.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.6. [partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet in verzuim is geweest, nu zij niet eerder dan na ontvangst het afschrift van het besluit van 30 april 1999 daartegen kon opkomen en haar niet valt te verwijten dat de Minister niet bekend was met haar adres.

2.6.1. Dit betoog faalt. Uit de bij de aanvraag om huursubsidie gevoegde informatie, waarvan [partij] geacht mag worden kennis te hebben genomen, blijkt dat voor toekenning van huursubsidie van belang is de verhouding tussen de hoogte van de huur en de hoogte van het inkomen dat een betrokkene ter beschikking heeft, waartoe in het algemeen het inkomen over het aan het subsidietijdvak voorafgaande kalenderjaar in aanmerking wordt genomen, tenzij dit in het jaar waarin de subsidie wordt toegekend tenminste 15% hoger of lager is dan in het voorafgaande kalenderjaar. Aangezien dat ten tijde van de aanvraag niet altijd voorzien kan worden, dient de aanvrager daarover een verwachting uit te spreken. Op die vraag heeft [partij] geantwoord te verwachten dat het inkomen over 1996 tenminste 15% af zou wijken van het inkomen over 1995, welk laatste grondslag vormde voor de berekening van de hoogte van de toe te kennen subsidie.

[partij] heeft na afloop van het kalenderjaar 1996 op enig moment kunnen vaststellen dat het totale inkomen over dat jaar meer dan 15%van dat van het jaar 1995 afweek. Dat had voor haar reden moeten zijn zich rekenschap te geven van de mogelijkheid dat een beduidend hoger ter beschikking zijnd inkomen in 1996 tot een geringere, dan wel geheel geen, aanspraak op huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 zou kunnen leiden. Reeds om die reden had zij er vanuit moeten gaan dat zij van de Minister een nader bericht zou ontvangen. Zij had om die reden er voor dienen te zorgen dat de Minister van haar adreswijzigingen op de hoogte was.

2.7. Voorts heeft [partij] destijds door het aanvraagformulier voor huursubsidie voor het onderhavige tijdvak te ondertekenen verklaard dat zij, als blijkt dat de huursubsidie of een deel ervan ten onrechte is toegekend, het bedrag dat teveel is uitgekeerd zal terugbetalen. Zij had er dan ook rekening mee moeten houden dat na controle tot – gelet op het bepaalde in artikel 22 van de Wet individuele huursubsidie – vijf jaar na afloop van het tijdvak, waarvoor de subsidie is verstrekt, wijziging van het subsidiebedrag en terugvordering van de teveel betaalde bedragen kon plaatsvinden.

2.8. Er is onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat [partij] niet in verzuim is geweest. De Minister heeft derhalve terecht geen toepassing gegeven aan artikel 6:11 van de Awb.

2.9. De conclusie is dat het inleidende beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 14 augustus 2002, kenmerk 01/2162 WET;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003

164-408.