Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
200301515/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2000 heeft de Algemeen Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna respectievelijk: de algemeen directeur en het CBR) geweigerd appellant ten behoeve van de vernieuwing van zijn rijbewijs een verklaring van geschiktheid af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 80
Module Rijbewijzen 2014/496
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301515/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 24 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Algemeen Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2000 heeft de Algemeen Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna respectievelijk: de algemeen directeur en het CBR) geweigerd appellant ten behoeve van de vernieuwing van zijn rijbewijs een verklaring van geschiktheid af te geven.

Bij besluit van 8 februari 2001 heeft de algemeen directeur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 mei 2003 heeft de algemeen directeur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2003, waar appellant in persoon, en de algemeen directeur, vertegenwoordigd door [juridisch medewerker] bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

Ingevolge artikel 111, vierde lid, van de Wvw worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onder b.

Ingevolge artikel 97 van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven door het CBR aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende vaststelling van eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen, Stcrt. 2000, 99, (hierna: de regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Ingevolge paragraaf 7.6.1., van de bij de regeling behorende bijlage, voor zover thans van belang, is de betrokkene voorafgaand aan een eventuele operatie ongeschikt voor alle rijbewijzen bij aneurysmata en andere anomalieën van de hersenvaten met kans op optreden van hersenbloedingen.

Ingevolge paragraaf 7.6.2., onder A, van de bij de regeling behorende bijlage, voor zover thans van belang, is de betrokkene ongeschikt voor alle rijbewijzen bij het vaker optreden van ‘transient ischemic attacks’ (TIA’s), tenzij hij één jaar (rijbewijzen van groep 1) respectievelijk vijf jaar (groep 2) vrij is van belangrijke neurologische verschijnselen en het specialistisch rapport gunstig is.

2.2. De algemeen directeur heeft de weigering een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, E, bij B doen steunen op het op 2 augustus 2000 door dr. R.P. Kleyweg, neuroloog, opgemaakte medisch keuringsrapport, waaruit volgt dat bij appellant een ‘aterioveneuze malformatie’ (hierna: AVM) is geconstateerd. Verder heeft de algemeen directeur bij dit besluit in aanmerking genomen dat de AVM van appellant niet is geopereerd.

2.3. Met de rechtbank dient te worden geoordeeld dat de algemeen directeur terecht paragraaf 7.6.1. van de bij de regeling behorende bijlage van toepassing heeft geacht op de medische situatie van appellant. Gelet hierop heeft appellant tevergeefs betoogd dat paragraaf 7.6.2., onder A, van de bij de regeling behorende bijlage, een afwijkingsmogelijkheid biedt om hem wel een verklaring van geschiktheid te geven. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat paragraaf 7.6.1. van de bij de regeling behorende bijlage een algemeen verbindend voorschrift inhoudt. In deze paragraaf noch elders in de regeling is de algemeen directeur ruimte geboden om van het in deze paragraaf bepaalde af te wijken. In dit geval is de algemeen directeur derhalve niet bevoegd om de mogelijke nadelen die verbonden zijn aan het niet bezitten van een rijbewijs te betrekken bij zijn beslissing over het al dan niet toekennen van de verklaring van geschiktheid. Ook de verlenging van het rijbewijs van appellant voor een beperktere duur is om vorengenoemde redenen uitgesloten. Dat, naar appellant heeft gesteld, de kans dat hij een hersenbloeding krijgt zeer gering is, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins- de Vin w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003

97-402.