Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
200303506/1 en 200303506/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2003, kenmerk A 03/02, heeft verweerder, met toepassing van de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften behorende bij de op 14 december 1999 door hem krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een carrosseriebedrijf en aanverwante activiteiten zoals het behandelen (verzorgen/vervaardigen opbouw chassis, inrichting interieur en electronica) van alle motorvoertuigen inclusief aanhangwagens, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], aangevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303506/1 en 200303506/2.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003, kenmerk A 03/02, heeft verweerder, met toepassing van de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften behorende bij de op 14 december 1999 door hem krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een carrosseriebedrijf en aanverwante activiteiten zoals het behandelen (verzorgen/vervaardigen opbouw chassis, inrichting interieur en electronica) van alle motorvoertuigen inclusief aanhangwagens, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], aangevuld.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door M.S.A. van Leeuwen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Appellante voert aan dat verweerder de procedure die heeft geleid tot het nemen van het bestreden besluit onjuist heeft uitgevoerd. In dit verband voert zij aan dat verweerder met betrekking tot haar bezwaarschrift van 20 december 2002, gericht tegen het op 9 december 2002 door verweerder ter inzage gelegde ontwerp van het besluit, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 6:14, eerste lid, 7:2, eerste lid, 7:10, eerste lid, en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.22 van de Wet milieubeheer, eerste lid, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

Ingevolge het tweede lid wijzigt het bevoegd gezag de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voorzover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten worden beperkt.

Ingevolge het vijfde lid is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Ingevolge artikel 8.23 van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het vierde lid is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Ingevolge artikel 3:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, indien dat voornemens is een besluit te nemen tot wijziging of intrekking van een eerder genomen besluit, dan wel ambtshalve een ander besluit te nemen, een ontwerp van het besluit op en doet het daarvan mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3:19, tweede lid, onderdelen b en c. Bij het in artikel 3:14 bedoelde wettelijk voorschrift of besluit kan worden bepaald dat tevens de artikelen 3:19, tweede lid, onderdeel a, en 3:21 van overeenkomstige toepassing zijn.

Ingevolge het tweede lid geeft het bestuursorgaan, tenzij bij wettelijk voorschrift of besluit, bedoeld in artikel 3:14 anders is bepaald, alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, schriftelijk kennis van het voornemen aan de betrokken andere bestuursorganen en, indien het betreft een besluit tot wijziging of intrekking aan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit was gericht. Het stelt hen daarbij in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn advies uit te brengen onderscheidenlijk hun zienswijze over het voornemen naar voren te brengen.

Ingevolge artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder binnen twee weken na de mededeling bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, tegen het ontwerp van het besluit bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen. De artikelen 3:24, tweede en vierde lid, en 3:26, zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 3:33, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bestuursorgaan een besluit tot wijziging of intrekking of een besluit inhoudende de beslissing dat niet tot wijziging of intrekking wordt overgegaan, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zestien weken nadat het aan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit was gericht de kennisgeving heeft gedaan, bedoeld in artikel 3:30, tweede lid.

2.1.2. De Voorzitter stelt vast dat verweerder bij brief van 14 november 2002 aan appellante een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gedaan. Voorts heeft verweerder op 9 december 2002 een ontwerp van het besluit, gedateerd 3 december 2002, ter inzage gelegd. Voorzover appellante heeft aangevoerd dat verweerder met betrekking tot haar bezwaarschrift van 20 december 2002, gericht tegen het op 9 december 2002 door verweerder ter inzage gelegde ontwerp van het besluit, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 6:14, eerste lid, 7:2, eerste lid, 7:10, eerste lid, en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de Voorzitter dat ingevolge artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tegen het ontwerp van het besluit slechts bedenkingen konden worden ingediend en hiertegen geen bezwaar kon worden gemaakt. In de aanhef van de brief van appellante van 20 december 2002 staat vermeld: ”Bezwaarschrift met betrekking tot ontwerp-beschikking van 3 december 2002 inzake ambtshalve wijziging van de milieuvergunning van 14 december 1999”. Verweerder heeft de brief van appellante derhalve terecht aangemerkt als bedenkingengeschift tegen het ontwerp van het besluit en niet als bezwaarschrift. Derhalve komt aan de door appellante genoemde artikelen in dit verband geen betekenis toe.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat verweerder niet op de in haar brief van 20 december 2002 genoemde bedenkingen is ingegaan, stelt de Voorzitter vast dat verweerder in het bestreden besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen vermeldt. In zoverre mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.

2.1.3. Voorzover appellante heeft aangevoerd dat verweerder niet tijdig heeft beslist overweegt de Voorzitter dat, gelet op de op 14 november 2002 gedane kennisgeving, verweerder uiterlijk op 6 maart 2003 een beslissing tot wijziging of intrekking had moeten nemen. Het bestreden besluit is genomen op 7 april 2003, derhalve buiten de in artikel 3:33, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn. Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit echter niet aan. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Appellante is van mening dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de voorschriften 1.1 tot en met 1.4 aan de vigerende vergunning heeft verbonden. Volgens appellante heeft verweerder er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat in de inrichting geen bedrijfsafvalwater ontstaat. Voorzover wel sprake is van bedrijfsafvalwater in de inrichting had verweerder volgens appellante rekening moeten houden met de kleine omvang van de inrichting.

2.2.1. Verweerder heeft aangevoerd dat door de aanwezigheid van een spoelbak en toilet in de inrichting sprake zal zijn van lozing van bedrijfsafvalwater, zij het in geringe mate. De voorschriften zijn volgens verweerder voor appellante niet bezwarend en noodzakelijk om ongewenst gebruik van deze lozingspunten tegen te gaan. Omdat in de inrichting met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt is verweerder van mening dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opleggen van een controlevoorziening noodzakelijk is. Ter zitting heeft verweerder in dit verband aangevoerd dat hij voor alle inrichtingen waarin bedrijfsafvalwater op het openbaar riool wordt geloosd, deze voorschriften aan de vergunning verbindt. Nu dergelijke voorschriften nog niet aan de vigerende vergunning zijn verbonden acht hij het noodzakelijk deze alsnog aan de vergunning te verbinden.

2.2.2. Ingevolge voorschrift 1.1 wordt bedrijfsafvalwater dat:

a. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen of die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen,

b. gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt,

c. een K1 of K2 bevat of,

d. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt, niet in een riolering gebracht.

Ingevolge voorschrift 1.2 wordt bedrijfsafvalwater dat grove of snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen bevat, niet in een openbaar riool gebracht.

Ingevolge voorschrift 1.3 belemmert bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht niet de doelmatige werking van dat riool, van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk noch van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool en belemmert het niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk en heeft het geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Ingevolge voorschrift 1.4 moet het bedrijfsafvalwater door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening worden geleid.

2.2.3. Ingevolge artikel 8.22, vierde lid, en artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voorvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2.4. De Voorzitter overweegt dat de voorschriften 1.1 tot en met 1.4 strekken tot bescherming van (de werking van) het openbaar riool. De bescherming van de riolering moet worden aangemerkt als zijnde in het belang van de bescherming van het milieu. Nu in de inrichting onder meer wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen is niet uitgesloten dat dergelijke stoffen op het openbaar riool kunnen worden geloosd.

Voorzover appellante ter zitting heeft aangevoerd dat de voorschriften, gelet op de aard en omvang van de inrichting onredelijk bezwarend zijn overweegt de Voorzitter dat wat betreft de voorschriften 1.1 tot en met 1.3 niet is gebleken dat vergunninghouder tengevolge van deze voorschriften voorzieningen moet treffen, noch dat deze bij de vergunde bedrijfsvoering voor appellante anderszins onredelijk bezwarend zijn. Wat betreft de in voorschrift 1.4 voorgeschreven controlevoorziening is ter zitting aannemelijk geworden dat de kosten hiervan ongeveer € 150,00 bedragen, inclusief montage. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet een zodanige investering betekent dat deze niet in redelijkheid van appellante kan worden gevergd.

De Voorzitter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bij het bestreden besluit opgenomen voorschriften 1.1 tot en met 1.4 aan de vigerende vergunning te verbinden.

2.3. Appellante is van mening dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de voorschriften 2.1 tot en met 2.3 aan de vigerende vergunning heeft verbonden. In dit verband voert zij aan dat de inrichting reeds sinds 1964 op de huidige locatie is gevestigd, terwijl uit recent bodemonderzoek is gebleken dat van verontreiniging van de bodem geen sprake is. Daarnaast voert appellante aan dat in de aan de vergunning verbonden voorschriften reeds is bepaald dat in de inrichting waar nodig vloeistofdichte vloeren aanwezig moeten zijn. Omdat de werkwijze in de inrichting niet is gewijzigd is volgens haar het stellen van aanvullende voorschriften niet noodzakelijk in het belang van de bescherming van het milieu.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 2.1 moeten de gedeelten van de inrichting waar spuitwerkzaamheden plaatsvinden evenals de gedeelten van de werkplaats waar ten gevolge van de bedrijfsvoering voor het milieu schadelijke (vloei)stoffen op of in de bodem kunnen komen, zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer.

Ingevolge voorschrift 2.1 is een vloeistofdichte vloer of voorziening aanwezig in een ruimte waarin motorvoertuigen of onderdelen van motorvoertuigen van een oppervlaktebehandeling worden voorzien. De vloeistofdichte vloer is zodanig gedimensioneerd dat alle bovengenoemde werkzaamheden boven de vloer kunnen plaatsvinden.

Ingevolge voorschrift 2.3 moet een vloeistofdichte vloer zoals bedoeld in voorschrift 2.1 zijn uitgevoerd, geïnspecteerd en goedgekeurd overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44. De vloer dient eenmaal per tien jaar geïnspecteerd en goedgekeurd te worden op vloeistofdichtheid overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44. Deze keuring dient te worden uitgevoerd door een daartoe door de Raad van certificering erkende deskundige. Bij goedkeuring wordt door de deskundig inspecteur een PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening afgegeven. De keuringstermijn wordt door de deskundig inspecteur vastgesteld. Degene die de inrichting drijft, controleert door middel van een globale visuele controle met regelmatige intervallen de vloeistofdichte vloer of voorziening. De frequentie van deze controles wordt door de deskundig inspecteur vastgesteld.

2.3.2. De Voorzitter overweegt dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de inrichting reeds sinds de jaren 60 van de twintigste eeuw op het huidige perceel is gevestigd. Blijkens een in opdracht van appellante door “Wematech Bodem Adviseurs B.V.” verricht onderzoek van 28 april 2003, kenmerk LL031272, zijn in de bodem geen of nauwelijks verontreinigingen aangetroffen. Gesteld noch gebleken is dat dit onderzoek onjuist is uitgevoerd of de hierin opgenomen conclusies onjuist zijn.

Aan de op 14 december 1999 verleende vergunning zijn enkele voorschriften verbonden met betrekking tot de vloeistofdichtheid van de in de inrichting aanwezige vloeren.

Ingevolge voorschrift 3.1.2 moeten de gedeelten van de inrichting waar ten gevolge van de bedrijfsvoering voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, zijn voorzien van een vloer van vloeistofdicht materiaal; de vloer dient zodanig te zijn uitgevoerd dat eventueel gemorste vloeistoffen of verontreinigd regenwater niet in de bodem en/of het oppervlaktewater kunnen geraken.

Ingevolge voorschrift 8.1.1 moet de vloer van de werkplaats vloeistofdicht zijn en van onbrandbaar en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd; de vloer mag niet afwaterend naar een uitgang zijn gelegd; doorvoeringen van kabels of leidingen door de vloer moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt.

Ingevolge voorschrift 12.1.1.3 moet de vloer van de spuitruimte, met inbegrip van de vloer onder een roostervloer, bestaan uit onbrandbaar, niet absorberend materiaal en vloeistofdicht zijn; eventuele leidingdoorvoeren moeten vloeistofdicht zijn uitgevoerd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit niet genoegzaam gemotiveerd waarom hij, in aanvulling op voornoemde voorschriften, de bij het bestreden besluit opgelegde voorschriften noodzakelijk acht. Verweerder heeft niet onderzocht in hoeverre gevreesd moet worden dat de activiteiten in de inrichting zullen leiden tot bodemverontreiniging en of de reeds aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om mogelijke bodemverontreiniging tegen te gaan. Naar het oordeel van de Voorzitter ligt een dergelijk onderzoek wel in de rede, nu uit het onderzoek van “Wematech Bodem Adviseurs B.V.” kan worden opgemaakt dat de activiteiten in de inrichting niet leiden tot bodemverontreiniging. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.4. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 2.1 tot en met 2.3. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.6. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen van 7 april 2003, kenmerk A 03/02, voorzover het voorschrift 2.1. tot en met 2.3 betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

V. gelast dat de gemeente Steenbergen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht (€ 464,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

325.