Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
200302700/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 september 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Middelbeers".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302700/2.

Datum uitspraak: 28 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Venowa B.V.", gevestigd te Oost-, West- en Middelbeers, en anderen,

verzoeksters,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 september 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Middelbeers".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 maart 2003 beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juli 2003, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting hebben verzoeksters hun verzoek beperkt tot de verlening van goedkeuring aan de bestemming “Tuinen II” en de aanduiding “grens van het plan” op gronden achter het perceel [locatie] en tot de onthouding van goedkeuring aan het woord “dienstverlenende” in artikel 9, eerste lid, onder a., het woord “dienstverlening” in artikel 9, eerste lid, onder c., en aan artikel 9, eerste lid, onder d., van de voorschriften.

Verzoeksters stellen dat deze verlening van goedkeuring geen recht doet aan het feitelijke gebruik als ontsluiting van het perceel naar de [locatie] en dat een gedeelte van het aldaar gelegen terrein ten onrechte buiten het plan is gelaten. Daarnaast betogen zij dat de onthouding van goedkeuring aan delen van de voorschriften gevolgen heeft voor het feitelijk gebruik van het perceel.

2.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangegeven met “Tuinen II” bestemd voor tuinen en bijgebouwen. De Voorzitter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de bedenking van verzoeksters op dit punt, terwijl de doeleindenomschrijving het gebruik als ontsluiting van het perceel niet toestaat. De Voorzitter verwacht op grond hiervan dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Voorts bestaat als gevolg van de afwezigheid van de gemeenteraad ter zitting geen inzicht in het gemeentelijk handhavingsbeleid, zodat niet valt uit te sluiten dat verzoeksters op korte termijn geconfronteerd worden met maatregelen ter handhaving van de goedgekeurde bestemming. Gelet hierop, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3.1. Wat betreft de verlening van goedkeuring aan de aanduiding “grens van het plan” overweegt de Voorzitter dat de ligging van deze aanduiding overeenkomt met het verloop van de plangrens onder het vorige plan en aansluit op het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan “Buitengebied”. Ter zitting is aangegeven dat tegen de aangrenzende bestemming in dat bestemmingsplan zienswijzen en bedenkingen zijn ingebracht alsmede beroep is ingesteld, teneinde de uitweg planologisch zijn plaats te geven. Op deze wijze is een beoordeling door de bestuursrechter van de door verzoeksters gewenste bestemming reeds mogelijk. Niet is dan ook gebleken dat het van kracht zijn van het plan op dit punt zal leiden tot rechtsonzekerheid of andere gevolgen die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. Het verzoek moet in zoverre dan ook worden afgewezen.

2.3.2. Ten aanzien van de onthouding van goedkeuring, strekt het verzoek er toe dat het plan op deze onderdelen niettemin kan worden verwezenlijkt. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, alleen dan zal strekken tot goedkeuring van deze delen van de voorschriften indien voor verweerder geen ruimte bestaat een andersluidende beslissing te nemen. Van een zodanige situatie is niet gebleken, noch van uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld dat het bestreden besluit evidente gebreken vertoont en bovendien zo urgente belangen in het geding zijn dat het geding in de bodemprocedure in redelijkheid niet kan worden afgewacht. Het verzoek moet in zoverre dan ook worden afgewezen.

2.4. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 maart 2003, 868449/921253, voor zover betreft de verlening van goedkeuring aan de bestemming “Tuinen II”, voor zover het betreft het perceel [locatie];

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoeksters het door hen voor de behandeling van hun verzoekschrift betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2003

349.