Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200206103/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Tubbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 februari 2002, het bestemmingsplan "Randweg Geesteren-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206103/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Tubbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 februari 2002, het bestemmingsplan "Randweg Geesteren-West" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 oktober 2002, kenmerk RWB/2002/864, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 december 2002.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Tubbergen. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Tubbergen, vertegenwoordigd door Th.P.H.M. Leferink op Reinink, ambtenaar van de gemeente. Appellant is zonder bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De beroepsgrond, gericht tegen de kap van waardevolle eiken, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan heeft betrekking op de aanleg van een randweg ten westen van Geesteren. Deze randweg vormt een verbinding tussen de Vriezeveenseweg, de Lutkeweg en de Haarbrinksweg. De randweg zal met een rotonde worden aangesloten op de Haarbrinksweg. Tevens is onder meer voorzien in de verplaatsing van een vishandel.

2.4. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Weg” dat voorziet in de aanleg van een rotonde nabij zijn perceel gelegen op de hoek van de [locatie] en [locatie]. Appellant stelt dat de gemeente hem bij aankoop van het perceel heeft verzekerd dat de omgeving landelijk zou blijven. Hij vreest te worden belemmerd in de uitoefening van zijn beroep als tandarts door geluidsoverlast, wisselende lichtinval, luchtverontreiniging en grondtrillingen als gevolg van de aanleg van de randweg met rotonde. Voorts is hij beducht voor een waardedaling van zijn perceel.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt dat er geen sprake is van een in rechte te honoreren toezegging. Voorts is hij van mening dat de aanleg van de randweg met rotonde appellant niet zodanig in de uitoefening van zijn beroep als tandarts zal belemmeren dat daardoor goedkeuring zou moeten worden onthouden aan het plan.

2.4.2. Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt omtrent het behoud van de landelijke omgeving in het gebied waar het perceel van appellant ligt. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het pand van appellant staat ten [richting] van de rotonde. De kleinste afstand tussen het pand en de rotonde zal ongeveer 15 meter bedragen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat grondtrillingen, wisselende lichtinval, luchtverontreiniging en geluidsoverlast veroorzaakt door het verkeer op de rotonde een zodanige belemmering zullen zijn voor appellant in de uitoefening van zijn beroep dat verweerder daarom niet hebben kunnen instemmen met het plan. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit heeft verweerder informatie ingewonnen bij een verkeerskundig bureau over de mogelijke gevolgen van grondtrillingen op de apparatuur van de tandartspraktijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat aan deze informatie geen betekenis kan worden toegekend. Volgens de informatie zullen er geen zodanige trillingen ontstaan dat deze de uitoefening van de tandartspraktijk belemmeren. Blijkens de stukken kan eventuele wisselende lichtinval met afschermende beplanting worden voorkomen.

De Afdeling merkt op dat ter zitting namens de gemeenteraad is toegezegd dat, indien voorzieningen moeten worden getroffen om eventuele negatieve effecten van het verkeer op de rotonde op te heffen, een verzoek tot vergoeding van de schade welwillend zal worden bezien.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van appellant betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.4.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.5. Appellant voert voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsbebouwing” dat voorziet in de verplaatsing van een vishandel. Hij vreest stankoverlast als gevolg van de visverwerking en de visopslag.

2.5.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt dat het gaat om een bedrijf waarvoor blijkens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een richtafstand geldt van 30 meter. De afstand tussen het perceel van appellant en de locatie voor de vestiging van de vishandel is volgens verweerder 120 meter.

2.5.2. Ingevolge artikel 4 , eerste lid, van de planvoorschriften zijn op het door appellant bestreden plandeel bedrijven toegestaan zoals vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die deel uitmaakt van het bestemmingsplan. In de VNG-brochure, die een indicatief en globaal karakter heeft en als hulpmiddel heeft gediend bij het ontwerpen van dit bestemmingsplan, is aangegeven dat voor bedrijven in deze categorieën een afstand dient te worden aangehouden van minimaal 30 meter tot in een rustige woonwijk gelegen woning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de vishandel ten onrechte is aangemerkt als categorie 2 bedrijf. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de gronden waar de vishandel kan worden gevestigd en de tandartspraktijk van appellant ongeveer 115 meter is. Naar oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat in de tandartspraktijk geen onaanvaardbare stankoverlast zal worden ondervonden.

2.5.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voorzover het de kap van waardevolle eiken betreft, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

270-445.