Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200205082/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aan [appellant a]. verleende ontheffing van het verbod om een stationerend vaartuig (hierna: de dekschuit) af te meren in de Prinsengracht te Amsterdam tegenover perceel [locatie] ingetrokken en hem onder aanzegging van bestuursdwang gelast de dekschuit te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205082/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 19 augustus 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aan [appellant a]. verleende ontheffing van het verbod om een stationerend vaartuig (hierna: de dekschuit) af te meren in de Prinsengracht te Amsterdam tegenover perceel [locatie] ingetrokken en hem onder aanzegging van bestuursdwang gelast de dekschuit te verwijderen.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om in de Prinsengracht ligplaats in te nemen met [woonboot] en de aan hem verleende ligplaatsvergunning voor de locatie Prinsengracht tegenover [locatie] ingetrokken.

Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om de [woonboot a] te vervangen door de (grotere) [woonboot b].

Bij besluit van 21 mei 2001 heeft het college de bezwaren van [appellant a], gericht tegen het besluit van 13 juli 2000, en de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 29 en 30 augustus 2000, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Appellanten hebben tegen deze uitspraak, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard, bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 december 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum als rechtsopvolger van het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar van de zijde van appellanten [appellant b], bijgestaan door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. N.A.P. Trommelen en mr. A.A. Diamandidis, ambtenaren van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, en [vergunninghouder] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van de vergunningen verleend aan [vergunninghouder]

2.1.1. Ingevolge artikel 1.7 van de Verordening op de Haven en het Binnenwater (hierna: de VHB) kan een vergunning of ontheffing, afgezien van de specifieke gronden, vermeld in de afzonderlijke bepalingen, worden geweigerd in geval van strijd met de belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen of in geval van strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de VHB - voorzover hier van belang - is het verboden zonder vergunning met een woonboot ligplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 2.2, derde lid, van de VHB - voorzover hier van belang - kan in het belang van ordening van het gebruik van het water, de openbare orde, de veiligheid, het milieu en het stadsschoon de vergunning worden geweigerd.

Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de VHB is het verboden zonder vergunning een woonboot te vervangen. Artikel 2.2, derde lid, van de VHB is ingevolge artikel 2.4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Ter uitvoering van artikel 2.4, tweede lid, van de VHB zijn de Richtlijnen bij vervanging van woonschepen vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Richtlijnen wordt een vergunning voor het vervangen van een woonboot slechts verleend indien ter plaatse voldoende ruimte beschikbaar is voor de vervangende woonboot.

2.1.2. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat, gelet op de gevaarlijke en problematische situatie die is ontstaan nabij het Anne Frankhuis, de ruimte op het water anders moet worden ingericht. Met het oog hierop dienden vijf woonboten, waaronder de [woonboot] van [vergunninghouder], te worden verplaatst. Aangezien voor de [woonboot] een geldige ligplaatsvergunning was afgegeven, diende naar het oordeel van het college hiervoor een gelijkwaardige plaats in de nabije omgeving te worden gezocht. Daartoe is uitsluitend de locatie ter hoogte van de Prinsengracht [locatie] geschikt bevonden.

2.1.3. Appellanten, die woonachtig zijn in de omgeving van de desbetreffende locatie, hebben in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet aan vergunningverlening in de weg staat, nu volgens het bestemmingsplan slechts woonboten zijn toegestaan op daartoe aangewezen ligplaatsen.

Dit betoog slaagt. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder a, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Jordaan 1999” zijn de gronden, die op de bijbehorende plankaart zijn bestemd tot waterweg/gracht, bestemd voor vaarwater en afwateringskanalen, alsmede voor ligplaatsen voor woonboten en/of bedrijfsvaartuigen, ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding “ligplaats voor woonboot/bedrijfsvaartuig toegestaan” voorkomt, met dien verstande dat het aantal woonarken, zoals aanwezig ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, niet mag toenemen. Gelet op artikel 8, zesde lid, in samenhang met artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften is het gebruik van de aan de orde zijnde gronden als ligplaats voor woonboten en bedrijfsvaartuigen alleen toegestaan op daartoe op de plankaart nader aangeduide gronden. Niet in geschil is dat zowel de [woonboot a] als [woonboot b], gezien hun afmetingen, het op de plankaart aangeduide ligplaatsenvlak ter hoogte van de Prinsengracht [locatie] overschrijden. Anders dan het dagelijks bestuur en de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voor het innemen van een ligplaats de afmeting van het op de plankaart ingetekende vlak niet maatgevend zou zijn. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat blijkens de toelichting het bestemmingsplan “Jordaan 1999” een conserverend en behoudend karakter heeft waar het de regeling van het water betreft en dat belang wordt gehecht aan de grote cultuur-historische waarde van de grachten met de aanliggende bebouwing. Met het oog hierop is in het bestemmingsplan voor wat betreft ligplaatsen en steigers de bestaande situatie vastgelegd. Hieruit volgt dat het met de [woonboot a] respectievelijk [woonboot b] innemen van een ligplaats in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank had dan ook dienen te beoordelen of het college met het oog op artikel 1.7 van de VHB en de daarbij betrokken belangen terecht tot vergunningverlening is overgegaan. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

2.1.4. Het in de beslissing op bezwaar ingenomen standpunt van het college, dat strijd met het bestemmingsplan nog niet impliceert dat de vergunningen niet verleend hadden mogen worden, is niet onjuist. Gelet op het bepaalde in artikel 1.7 van de VHB is voor afwijking van het bestemmingsplan naar het oordeel van de Afdeling slechts plaats indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het college heeft, afgezien van het feit dat de desbetreffende locatie in het bestemmingsplan is bestemd als ligplaats voor een woonboot of bedrijfsvaartuig, in dit verband groot gewicht toegekend aan de problematische situatie bij het Anne Frankhuis, het belang van de woonbootbewoners bij het vinden van een ligplaats in de nabije omgeving van de oorspronkelijke ligplaats en de schaarste aan geschikte locaties. Uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter kunnen blijken dat het college heeft onderzocht of voor de woonboot van [vergunninghouder] niet ook andere locaties dan de locatie aan de Prinsengracht [locatie] voorhanden waren. Dat woonbootbewoners een zekere voorkeur zullen hebben voor een locatie in de nabijheid van de oorspronkelijke ligplaats is niet onbegrijpelijk, doch rechtvaardigt op zichzelf niet dat een dergelijk onderzoek achterwege wordt gelaten. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet is genomen met de vereiste zorgvuldigheid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De beslissing op bezwaar dient dan ook wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande kan ook de vergunning, verleend voor het vervangen van [woonboot a] door [woonboor b] niet in stand blijven, nu niet vaststaat op welke locatie met [woonboot b] ligplaats zal mogen en - met het oog op artikel 3, eerste lid, van de Richtlijnen - kunnen worden ingenomen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

2.2. Ten aanzien van de intrekking van de aan [appellant a] verleende ontheffing en de aanzegging bestuursdwang

2.2.1. Ingevolge artikel 1.8, aanhef en onder c, van de VHB kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd in het geval dat op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten moet worden aangenomen dan wel nodig wordt geoordeeld dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door een belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, van de VHB is het verboden met een stationerend vaartuig ligplaats in te nemen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

2.2.2. [appellant a] keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie bij het Anne Frankhuis en de daardoor ontstane noodzaak een aantal woonschepen te verplaatsen is aan te merken als een verandering van omstandigheden of inzichten. Voorts heeft hij gesteld dat in zijn belang bij ontheffing evenmin wijziging is opgetreden.

2.2.3. Dit betoog slaagt. Uit de toelichting op artikel 2.14 van de VHB blijkt dat het verbod om zonder ontheffing met een stationerend vaartuig ligplaats in te nemen geldt in het belang van een doelmatig gebruik van de ligplaatscapaciteit. In dit kader heeft het college het noodzakelijk geacht dat de woonboot van [vergunninghouder] naar de locatie van [appellant a] zou worden verplaatst en de ontheffing van [appellant a] zou worden ingetrokken. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat krachtens het in het “Evaluatierapport van de Nota Amsterdam te water 1995” geformuleerde beleid dekschuiten, die geen functie meer hebben, voor woonboten moeten wijken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de noodzaak om de woonboot van [vergunninghouder] naar de locatie van die van [appellant a] te verplaatsen niet komen vast te staan. Voorts bieden de voorhanden zijnde gegevens, waaronder het door de rechtbank ingestelde onderzoek naar het gebruik, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de dekschuit in het geheel geen functie meer heeft. Hieruit volgt dat de beslissing op bezwaar, voorzover betrekking hebbend op de intrekking van de ontheffing, wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. Daarmee ontvalt ook de bevoegdheid tot het opleggen van de last onder aanzegging van bestuursdwang en kan de beslissing op bezwaar ook in zoverre niet in stand worden gelaten.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak ook in zoverre dient te worden vernietigd.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient, voorzover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het inleidende beroep in zoverre gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het dagelijks bestuur zal opnieuw op de bezwaren dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.4. De Afdeling ziet aanleiding om het dagelijks bestuur op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 19 augustus 2002, reg.nr. AWB 01/2021 GEMWT, voorzover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 21 mei 2001, kenmerk: 2446 BBA 2000;

V. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1339,88, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht

(€ 267,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Bakker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

393.