Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200204947/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2002, het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Geert Migchelsweg 13" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204947/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2002, het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Geert Migchelsweg 13" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 juli 2002, kenmerk RWB/2002/1067, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 30 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Hardenberg, vertegenwoordigd door L. Zandman, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd het op het perceel Geert Migchelsweg 13 aanwezige agrarische hulp- en toeleveringsbedrijf als zodanig te bestemmen. Tevens voorziet het plan in de bouw van een loods voor de stalling van machines en werktuigen ter vervanging en uitbreiding van een romneyloods op het perceel.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft onthouden. Appellant stelt in zijn beroepschrift onder meer dat verplaatsing van het bedrijf zowel bedrijfseconomisch als commercieel gezien niet verantwoord uitvoerbaar is.

2.4. Verweerder heeft het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder is van mening dat aan het plan een onvoldoende zorgvuldige afweging ten grondslag ligt ten aanzien van het provinciaal ruimtelijk beleid en dat onvoldoende inzicht bestaat omtrent de milieuhygiënische gevolgen voor de nabijgelegen burgerwoningen. Blijkens het bestreden besluit en de ter zitting daarop gegeven toelichting heeft verweerder tegen het als zodanig bestemmen van het bedrijf in haar huidige omvang op zich geen bezwaren.

2.5. Het provinciaal ruimtelijk beleid is neergelegd in het Streekplan Overijssel 2000+ (verder te noemen: streekplan) en nader uitgewerkt in de ‘Handleiding en beleidsregels inzake toepassing Wet en Besluit op de Ruimtelijke Ordening’ (verder te noemen: Handleiding).

In de Handleiding is een agrarisch loonwerkbedrijf aangemerkt als een agrarisch aanverwant bedrijf en daarmee als een niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden functie. Het provinciaal beleid ten aanzien van de uitbreiding van bestaande niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden bedrijven houdt in het streven naar verplaatsing naar een passend bedrijventerrein in een nabijgelegen kern of stad. Indien verplaatsing om bedrijfseconomische en/of andere bijzondere redenen uitgesloten is of zeer ongewenst, kan beperkte uitbreiding worden toegestaan op basis van onafhankelijke adviezen die deze omstandigheden aantonen.

Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat een onderzoek naar de mogelijkheid van verplaatsing naar vrijkomende agrarische bebouwing dan wel naar een locatie op een passend bedrijventerrein in een nabijgelegen kern of stad niet heeft plaatsgevonden. Appellant heeft een bedrijfsplan laten opstellen gedateerd 17 oktober 2002, teneinde aan te kunnen tonen dat verplaatsing van het loonwerkbedrijf bedrijfseconomisch en commercieel gezien niet verantwoord uitvoerbaar is. Het bestreden besluit is echter genomen op 16 juli 2002. Verweerder heeft dit bedrijfsplan dan ook niet bij zijn besluitvorming kunnen betrekken.

Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is de oppervlakte van de bestaande romneyloods ongeveer 240 m2. Blijkens de plankaart heeft het bouwvlak, waar de nieuwe loods kan worden gebouwd, een oppervlakte van 1125 m2 (25 m bij 45 m). Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet voorziet in een beperkte uitbreiding.

Gelet op het vorenstaande is heeft verweerder op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bedrijfseconomische en/of andere bijzondere redenen op grond waarvan meer dan een beperkte uitbreiding van het loonwerkbedrijf van appellant kan worden toegestaan.

De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in strijd is met het provinciaal beleid ten aanzien van niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden bedrijvigheid. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

270-445.