Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
28-07-2003
Zaaknummer
200303740/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Culemborg heeft bij besluit van 25 maart 2003, het “Wijzigingsplan ex artikel 11 Wet op de Ruimtelijke Ordening, Parallelweg Oost 29" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303740/2.

Datum uitspraak: 22 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Culemborg heeft bij besluit van 25 maart 2003, het “Wijzigingsplan ex artikel 11 Wet op de Ruimtelijke Ordening, Parallelweg Oost 29" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 april 2003, nr. RE2003.34183, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juli 2003, waar verzoeker in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Voorts zijn, namens [partij], [gemachtigde] en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg, vertegenwoordigd door W. van Zwam, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het wijzigingsplan maakt de vestiging van een ecologische geitenhouderij mogelijk op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Verzoeker stelt dat verweerder het besluit ten onrechte heeft goedgekeurd. Hij meent dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden in het bestemmingsplan “Buitengebied” is voldaan, aangezien geen sprake is van vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf. In dit verband stelt hij dat een deel van de gronden die in het bedrijfsplan zijn opgenomen om de geitenhouderij als volwaardig te kunnen aanmerken, reeds nodig is om een bestaand agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats] te legitimeren. Verzoeker vreest dat, nog voordat zijn beroep ter zitting is behandeld, op oneigenlijke wijze een bedrijf zal worden gevestigd. Gelet hierop verzoekt hij schorsing van het bestreden besluit.

2.4. De Voorzitter overweegt dat op het perceel [locatie] te [plaats] in het verleden kalveren en later eenden zijn gehouden. Thans is op deze plek geen agrarisch bedrijf meer gevestigd. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat de geitenhouderij zich beter op dit perceel zou kunnen vestigen overweegt de Voorzitter dat gebleken is dat het perceel [locatie] voor een ecologische bedrijfsvoering te weinig ruimte biedt. De gronden die voorheen ten behoeve van de kalverhouderij gepacht werden, worden blijkens overgelegde, bij de Grondkamer ingeschreven, pachtcontracten, thans gepacht ten behoeve van de vestiging van de ecologische geitenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding om de volwaardigheid van dit bedrijf in twijfel te trekken. Ook overigens is de Voorzitter niet gebleken dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan “Buitengebied” is voldaan.

Gelet hierop verwacht de Voorzitter niet dat de Afdeling het beroep van verzoeker in de bodemprocedure gegrond zal verklaren. Derhalve bestaat geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

2.5. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2003

12-392.