Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0557

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200300109/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast om de bewoning van de bedrijfsopstallen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) binnen vier weken te laten staken en om binnen een termijn van acht weken de bedrijfsopstallen op het perceel in de oorspronkelijke staat terug te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300109/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast om de bewoning van de bedrijfsopstallen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) binnen vier weken te laten staken en om binnen een termijn van acht weken de bedrijfsopstallen op het perceel in de oorspronkelijke staat terug te brengen.

Bij besluit van 11 september 2000 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar, onder intrekking van het besluit van 11 september 2000, wederom ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellant een termijn van vier weken na de verzenddatum van dit besluit is gegund om aan de last te voldoen.

Bij uitspraak van 10 december 2002, verzonden op 12 december 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep, voorzover dit ziet op de handhaving van de last de woonvoorzieningen te verwijderen, gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingplan “Buitengebied 1998” rust op het perceel de bestemming “Agrarisch bedrijf”. Niet in geschil is dat de bewoning van de bedrijfsopstallen in strijd is met deze bestemming en derhalve op grond van artikel 0.6, eerste lid, van de planvoorschriften is verboden.

2.2. Ingevolge artikel 0.7, lid II, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en daarop voorkomende opstallen, strijdig met het plan en dat bestaat op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden voortgezet. Dit geldt echter niet voor strijdig gebruik dat:

- in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, en;

- een aanvang heeft genomen nadat het voorheen geldende bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, en;

- waartegen rechtens nog een procedure ter beëindiging van dat strijdige gebruik gevoerd wordt of redelijkerwijs nog gevoerd kan worden.

2.3. Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, omdat tegen het strijdige gebruik redelijkerwijs nog een procedure kan worden gevoerd. Volgens appellant heeft het college het recht om op te treden verwerkt, nu bewoning van de bedrijfsopstallen gedurende een reeks van jaren plaatsvond en het college hiervan wist, althans hiervan door bezoeken in het kader van de controle op de milieuvergunning redelijkerwijs had kunnen weten. Appellant wijst er in dit verband op dat de woonruimte zichtbaar is vanaf de weg en dat aan de voorzijde van de stal een deur is gemaakt en een raam is aangebracht.

2.4. Het college heeft appellant toestemming verleend om de bedrijfsopstallen tussen 1984 en 1988 te bewonen, totdat een bedrijfswoning, waarvoor bouwvergunning was verleend, gereed zou zijn. Aan deze toestemming is een einde gekomen, omdat van de bouwvergunning in die periode geen gebruik is gemaakt en de bouwvergunning, met instemming van appellant, is ingetrokken.

Niet in geschil is dat de bedrijfsopstallen sinds 1988 niet meer door appellant worden bewoond en dat appellant in de periode tussen 1994 en 1995 als bewoner van deze opstallen is uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Voorts staat vast dat eerst in 1999 [naam rechtspersoon] als bewoner van de bedrijfsopstallen in het bevolkingsregister is ingeschreven.

Appellant is er niet in geslaagd feiten en omstandigheden aan te voeren die aannemelijk maken dat, ondanks het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister in de periode 1995 tot 1999, gedurende een reeks van jaren sprake is geweest van permanente bewoning. Dat na 1988 de opstallen incidenteel werden bewoond en dat enkele kleine verbouwingen hebben plaatsgevonden doet hieraan niet af. Aldus is geen sprake van rechtsverwerking in de door appellant bedoelde zin. De rechtbank heeft het beroep op het overgangsrecht terecht verworpen.

2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van het handhavend optreden tegen de illegale situatie.

2.6. Appellant betoogt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geweigerd voor de bewoning van de bedrijfsopstallen een tijdelijke vrijstelling te verlenen. Uit de beslissing op bezwaar blijkt niet dat het college deze mogelijkheid heeft onderzocht.

Volgens de beslissing op bezwaar was het college echter niet bereid de illegale situatie te gedogen, omdat een planologische regeling voor een bedrijfswoning nog niet bekend was. Het college is derhalve niet bereid om een tijdelijke vrijstelling te verlenen.

2.7. Volgens appellant kan een tijdelijke vrijstelling worden verleend, omdat objectief bezien moet worden aangenomen dat de bedrijfswoning met de afgifte van een nieuwe bouwvergunning op korte termijn zal worden gerealiseerd en de illegale bewoning zal worden gestaakt. De herziening van het bestemmingsplan, waarin een bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning is opgenomen, is het resultaat van zienswijzen van appellant. Voorts heeft appellant voorgesteld de beëindiging van de bewoning van de bedrijfsopstallen contractueel vast te leggen.

Dit betoog gaat er aan voorbij dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen bouwaanvraag was ingediend voor een bedrijfswoning en ook geen bestemmingsplan in procedure was, waarin een bouwmogelijkheid voor een zodanige woning was opgenomen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken van objectieve gegevens op grond waarvan een tijdelijke vrijstelling kan worden verleend. Dat appellant bereid is de beëindiging van de bewoning van de bedrijfsbebouwing contractueel vast te leggen doet hieraan niet af. De rechtbank heeft niet ten onrechte betekenis toegekend aan het feit dat van een eerder verleende bouwvergunning geen gebruik is gemaakt. Het beroep van appellant op de op 22 april 2002 verleende bouwvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning is dan ook tevergeefs, nog daargelaten dat ter zitting is gebleken dat ook van deze bouwvergunning geen gebruik wordt gemaakt.

2.8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden welke voor het college aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van het opleggen van een dwangsom.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

65-429.