Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0549

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200204118/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij - herziene - beslissing van 24 april 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van appellant een verzoek van [verzoeker] om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204118/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 21 juni 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij - herziene - beslissing van 24 april 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van appellant een verzoek van [verzoeker]. om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard, zulks overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep van 4 mei 2001.

Bij uitspraak van 21 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op administratief beroep vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. [verzoeker] is, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het daartoe strekkende verzoek kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt, wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien het verzoek betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

2.2. Bij uitspraak van 14 december 1999 heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] tegen een beslissing op administratief beroep van 8 januari 1998 ongegrond verklaard. Deze beslissing strekt tot handhaving van de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] om een toevoeging in verband met de vaststelling van haar nationaliteit, bij het bureau rechtsbijstandvoorziening van appellant behandeld onder nr. 5AK7995. Deze uitspraak is bij uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2000, in zaak no. 200000211/1, bevestigd. Appellant heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat [verzoeker] de voor de vaststelling van de nationaliteit van haar vader van belang zijnde gegevens met betrekking tot zijn voorgeschiedenis, nodig in verband met de vaststelling van haar eigen nationaliteit, redelijkerwijze zelf kan verzamelen.

2.2.1. Inmiddels was op 16 februari 1998 namens [verzoeker] wederom een aanvraag om een toevoeging ingediend, nu in verband met het voeren van de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen het besluit van 8 januari 1998. Dit verzoek, dat is behandeld onder nr. 5AM4869, is bij besluit van 9 maart 1998, dat is herzien bij besluit van 24 april 2001, afgewezen. Bij het thans bestreden besluit – zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak – heeft appellant deze afwijzing gehandhaafd.

2.3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank, door zijn betoog aldus op te vatten dat hij zich op het standpunt stelt dat [verzoeker] geen procesbelang meer had bij de beoordeling van het besluit van 8 januari 1998 en daarom ook geen grond had tegen die beslissing beroep in te stellen bij de rechtbank, heeft miskend dat hem het materiële belang van [verzoeker] voor ogen stond. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt verduidelijkt met het betoog dat elk verzoek om toevoeging en derhalve ook het onderhavige moet worden getoetst aan de Wrb. Eerst moet worden bezien of wel rechtsbijstand verzocht wordt voor een belang dat de rechtzoekende rechtstreeks en individueel raakt. Indien dat niet het geval is, is er volgens appellant geen sprake van rechtsbijstand waarop de Wrb ziet. Naar zijn mening moet bij die toets niet uitsluitend gekeken worden of er een procedure gevoerd wordt, waarvoor toevoeging verzocht wordt, maar ook wat met die procedure beoogd wordt. In het onderhavige geval heeft appellant daarbij vastgesteld dat de rechtzoekende materieel geen rechtstreeks en individueel belang heeft bij de procedure over de geweigerde toevoeging. In de toevoegingszaak 5AK7995 was het verzoek om toevoeging afgewezen omdat uit de overgelegde gegevens kon worden afgeleid dat [verzoeker] eerst de nationaliteit van haar vader diende te achterhalen, hetgeen zij zelf kon doen met behulp van geëigender instanties, zodat nog geen sprake was van rechtsbijstand in de zin van de Wrb, laat staan van het verstrekken van een toevoeging daarvoor. De procedure tegen de afwijzing betreft een eigen belang van de rechtsbijstandverlener, waarvoor geen toevoeging kan worden verstrekt, aldus appellant.

2.4. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft appellant ten onrechte het belang van [verzoeker] bepaald door als uitgangspunt te nemen dat de oorspronkelijke aanvraag om een toevoeging, die is behandeld onder nummer 5AK7995, terecht is afgewezen. Immers, in de daarop betrekking hebbende procedure stond de vraag centraal of dat verzoek van [verzoeker] wel terecht was afgewezen.

De omstandigheid dat [verzoeker] van mening was dat zij op grond van de Wrb wel aanspraak had op rechtsbijstand op basis van een toevoeging, betekent dat zij in principe een belang had bij het instellen van beroep tegen de weigering, zowel processueel als materieel. De Afdeling ziet niet in waarom dit slechts een belang van de rechtsbijstandverlener zou zijn.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of [verzoeker] voor het voeren van die – tweede – beroepsprocedure ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op rechtsbijstand verleend op basis van een toevoeging. Daartoe dient appellant, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt, de vraag te beantwoorden of [verzoeker] toereikende gronden heeft aangevoerd tegen het besluit van appellant van 8 januari 1998 om verstrekking van een toevoeging in haar geval gerechtvaardigd te achten, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Beantwoording van deze vraag vereist een individuele, materiële toets. Hoewel appellant ter zitting heeft betoogd dat hij deze toets ook heeft verricht, blijkt dat niet uit het door hem genomen besluit. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken dat de weigering van de toevoeging met toepassing van evengenoemde bepaling rechtmatig was.

2.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht en op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit van 30 mei 2001 een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank heeft dit besluit dan ook terecht vernietigd, zij het dat deze vernietiging gebaseerd dient te worden op strijd met artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in plaats van artikel 7:12, nu deze laatste bepaling betrekking heeft op bezwaar en het hier gaat om administratief beroep.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter,

en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

18-384.