Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
200206629/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundvee- en pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 8 november 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206629/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundvee- en pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 8 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De revisievergunning is verleend voor het houden van 46 zoogkoeien, 53 stuks vrouwelijk jongvee, 2 paarden en 36.000 vleeskuikenmoederdieren. Voor de inrichting is eerder op 3 november 2000 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend.

2.2. Appellant voert aan dat de inhoud van de kennisgeving van het ontwerpbesluit, voorzover daarin is vermeld dat sprake is van een revisievergunning, in strijd met de rechtszekerheid en de goede procesorde afwijkt van hetgeen in het ontwerpbesluit over de aanvraag is vermeld, te weten dat deze ziet op een nieuwe de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer.

De kennisgeving van het ontwerpbesluit is op het door appellant aangegeven punt evenwel voldoende duidelijk en in overeenstemming met artikel 3:20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij is bepaald dat in de kennisgeving tenminste de zakelijke inhoud van de aanvraag moet worden vermeld. De beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte geen specifieke maatregelen ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stofoverlast heeft voorgeschreven, zoals het aanbrengen van toereikende stoffilters op zowel het luchtventilatiesysteem, als de te plaatsen silo’s.

2.4.1. Verweerder heeft ter voorkoming, dan wel beperking, van stofoverlast voorschrift 2.3.2 aan de vergunning verbonden, waarin is bepaald dat hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van de silo’s moet worden voorkomen door het via ontluchting ontwijkende stof op doeltreffende wijze op te vangen, bijvoorbeeld door middel van een doekfilter.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat, gelet op de afstand van de stallen tot de omliggende woningen van derden, voor stofoverlast niet behoeft te worden gevreesd.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, mede in aanmerking genomen de afstand van de stallen tot de omliggende woningen van derden, voorschrift 2.3.2 toereikend is ter bescherming tegen onaanvaardbare stofhinder.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellant voert voorts aan dat de door verweerder aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van de door de inrichting te veroorzaken geluidhinder en dat getwijfeld moet worden aan de mogelijkheid om de bij het bestreden besluit opgelegde geluidgrenswaarden na te leven.

2.5.1. Ter voorkoming, dan wel beperking, van geluidhinder heeft verweerder ondermeer de voorschriften 7.1.2, 7.1.3 en 7.2.2 aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 7.1.2 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, ter plaatse van woningen van derden, niet meer mag bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 7.1.3 is bepaald dat het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, ter plaatse van woningen van derden, niet meer mag bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 7.2.2 is het pneumatisch vullen van voedersilo’s, het legen van mestkelders en het verladen van dieren verboden van 19.00 tot 07.00 uur.

2.5.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. Zolang geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals in de gemeente Nederweert – moet bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden, zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

Ten aanzien van de grenswaarden van de piekgeluidimmissieniveaus is in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking aanbevolen uit te gaan van de grenswaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerder met 10 dB(A). Daarnaast is de maximale grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde gegeven.

2.5.3. Verweerder heeft bij het bepalen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor woningen van derden aansluiting gezocht bij de in de Handreiking vermelde richtwaarden voor een landelijke omgeving. Deze kwalificatie van de omgeving van de inrichting is door appellant niet bestreden.

2.5.4. Voor een landelijke omgeving gelden volgens de Handreiking als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De ingevolge voorschrift 7.1.2 in acht te nemen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komen met deze richtwaarden overeen.

De in voorschrift 7.1.3 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn gelijk aan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de voorschriften 7.1.2 en 7.1.3 opgenomen geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen, dan wel voldoende te beperken.

2.5.5. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat, gelet op een schriftelijke verklaring van Agrotechniek B.V. en op de aard van de ventilatoren van de pluimveestallen, aannemelijk is dat aan de gestelde geluidvoorschriften kan worden voldaan. Zonodig kunnen volgens hem eenvoudig bron- of overdrachtmaatregelen getroffen worden, waardoor aan de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

Mede gelet op de plaats en de afstand van de ventilatoren aan de op te richten pluimveestallen ten opzichte van woningen van derden en het bepaalde in voorschrift 7.2.2 ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder zich aldus ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorgeschreven geluidgrenswaarden niet na te leven zouden zijn.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellant betoogt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1.5 niet afdoende is ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder. Volgens hem kan voorts niet worden uitgesloten dat uit het in voormeld voorschrift bedoeld akoestisch rapport volgt dat vergunninghoudster maatregelen moet nemen die niet binnen de grondslag van de aanvraag kunnen worden uitgevoerd.

2.6.1. In voorschrift 7.1.4 is bepaald dat vergunninghoudster op schriftelijk verzoek van verweerder eenmalig in verband met een opleveringscontrole, dan wel bij gegronde klachten met betrekking tot geluidhinder, een akoestisch onderzoeksrapport ter beoordeling dient over te leggen, waarin is nagegaan of voldaan wordt aan de in de voorschriften 7.1.2 en 7.1.3 opgenomen geluidgrenswaarden.

In voorschrift 7.1.5 is bepaald dat verweerder naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek nadere eisen kan stellen met betrekking tot te nemen maatregelen ter voldoening aan de geluidgrenswaarden, opgenomen in de voorschriften 7.1.2 en 7.1.3.

2.6.2. De voorschriften 7.1.4 en 7.1.5 betreffen voorschriften als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, onder a en f, van de Wet milieubeheer. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid deze voorschriften aan de vergunning heeft kunnen verbinden dan wel op dit punt geen verdergaande voorschriften heeft gesteld. Deze beroepsgrond treft evenmin doel.

2.7. Appellant heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

154-443.