Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
28-07-2003
Zaaknummer
200302918/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2001, kenmerk 787394, heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder in het kader van de reconstructie van de A50 alsmede de aanleg van een nieuw gedeelte van de A50 te Bernheze hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vastgesteld voor onder meer de woningen aan de [locaties] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302918/2.

Datum uitspraak: 22 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[Verzoekers], alle gevestigd dan wel wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2001, kenmerk 787394, heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder in het kader van de reconstructie van de A50 alsmede de aanleg van een nieuw gedeelte van de A50 te Bernheze hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vastgesteld voor onder meer de woningen aan de [locaties] te [plaats].

Bij besluit van 25 maart 2003, verzonden op 27 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juni 2003.

Bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2003, waar verzoekers vertegenwoordigd door mr. F.R.H. Kuiper, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door R.M.P. Broeren, ambtenaar bij de provincie, en ing. J.H. Windau en ing. R.P.A.M. van Kessel, beiden ambtenaar bij het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij het thans ter beoordeling staande besluit van 25 maart 2003 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden ten behoeve van 16 woningen ongegrond verklaard. Deze vaststelling houdt onder meer verband met de aanleg en reconstructie van de A50 en de bijbehorende toe- en afritten (omlegging Bernheze).

2.3. Verzoekers betogen dat het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden onzorgvuldig is voorbereid. Verweerder heeft ten onrechte de te treffen geluidreducerende maatregelen bij de gevels van de woningen niet omschreven. Voorts stellen zij dat verweerder in het besluit ten onrechte niet heeft vastgesteld dat een geluidluwe plek of zijde met een geluidbelasting van maximaal 50 dB(A) haalbaar is.

2.3.1. Volgens verweerder is gebleken dat toepassing van maatregelen om de geluidbelasting van de betrokken gevels te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overwegende bezwaren ontmoet van onder meer verkeerskundige en financiële aard. Hij acht de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting deugdelijk onderbouwd, in aanmerking genomen dat in het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden is opgenomen dat de eventueel te treffen geluidwerende voorzieningen aan de gevels van de woningen dienen te zijn gerealiseerd voordat de A50 wordt opengesteld. Verweerder acht het verder niet onmogelijk dat de geluidluwe gevel of plek kan worden gerealiseerd.

2.3.2. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten, onverminderd artikel 82a, in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogst toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere waarde dan in de dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 55 dB(A) en voor woningen in stedelijk gebied 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen voor de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidbelasting ondervinden.

In artikel 111, tweede lid, is bepaald – voor zover hier van belang - dat indien met betrekking tot gevels van aanwezige woningen een hogere geluidbelasting dan 50 dB(A), vanwege een weg, als de ten hoogst toelaatbare is vastgesteld, de gemeenteraad met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen treft om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen in geval het een weg betreft die na 1982 is aangelegd, ten hoogste 35 dB(A) bedraagt.

In artikel 112, aanhef en onder b, is – voorzover hier van belang – bepaald dat indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a, de gemeenteraad met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen treft om te bevorderen dat de geluidbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na reconstructie, in geval voor de betrokken woning eerder een hogere waarde voor de geluidbelasting is vastgesteld, ten hoogste bedraagt: de waarde die voor de reconstructie ingevolge het in artikel 111, tweede of derde lid, voor de onderscheiden situatie bepaalde, ten hoogste toelaatbaar was.

In het derde lid van artikel 111 is – voorzover hier van belang - bepaald dat ingeval met toepassing van artikel 90, tweede lid, met betrekking tot de gevels van de woningen een hogere geluidbelasting dan 50 dB(A), vanwege de weg, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, de gemeenteraad met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen treft om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 45 dB(A) bedraagt.

In artikel 14, eerste lid, onder d, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna te noemen: het Besluit) is – voorzover hier van belang - bepaald dat het verzoek en het ontwerp van een verzoek een beschrijving van de mogelijkheden moet bevatten om de geluidbelasting van woningen tot een lagere waarde te verminderen dan de onder a bedoelde, alsmede een schatting van de hieraan verbonden extra kosten.

In artikel 14, eerste lid, onder e, van het Besluit is bepaald dat het verzoek en het ontwerp van een verzoek een verklaring moet bevatten dat maatregelen als bedoeld in artikel 111, tweede of derde lid, van de wet, zullen worden getroffen, indien de geluidbelasting binnen woningen bij gesloten ramen meer bedraagt dat 35 dB(A).

2.3.3. In het verzoek om vaststelling van hogere grenswaarden zijn de mogelijke maatregelen om de geluidbelasting tot een lagere waarde te verminderen dan de verzochte hogere waarden in de vorm van bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen, inclusief de hieraan verbonden extra kosten, omschreven. Het verzoek bevat daarnaast een verklaring strekkende tot het ter beschikking stellen van financiële middelen en het treffen van de maatregelen als bedoeld in artikel 111, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder. Op 26 september 2001 heeft verweerder voor de betrokken woningen hogere grenswaarden vastgesteld.

Anders dan verzoekers kennelijk menen, bevat de Wet geluidhinder noch het Besluit de verplichting dat het verzoek een omschrijving van de geluidreducerende maatregelen bij de gevels van de woningen dient te bevatten. Evenmin wordt geëist dat verweerder in zijn besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden de concrete gevelmaatregelen moet betrekken. Gelet op de overgelegde stukken, waaronder het verzoek tot vaststelling van hogere grenswaarden, stelt de Voorzitter vast dat de grenswaarden in dit opzicht in overeenstemming met de Wet geluidhinder en het Besluit zijn vastgesteld. Het bezwaar dat in het besluit ten onrechte de geluidreducerende maatregelen bij de gevels van de woningen niet zijn omschreven, treft naar het oordeel van de Voorzitter dan ook geen doel.

In het besluit tot vaststelling van de hogere grenswaarden is bepaald dat bij alle woningen een geluidluwe gevel dan wel plek moet worden gehandhaafd of veiliggesteld. Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is deze voorwaarde gebaseerd op het “Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder” van verweerder en impliceert deze voorwaarde dat, naast de wettelijk vastgestelde binnenwaarde, aan de buitenzijde van de woningen een gevel dan wel plek moet worden gerealiseerd of gehandhaafd waarbij de geluidbelasting maximaal 50 dB(A) bedraagt. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2003

163-414.