Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206370/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) het verzoek van appellant om toepassing van bestuursdwang tegen bebouwing en gebruik van bebouwing op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/379
BR 2003/223
Gst. 2004, 8
Module Vastgoed en wonen 2003/295

Uitspraak

200206370/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) het verzoek van appellant om toepassing van bestuursdwang tegen bebouwing en gebruik van bebouwing op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2000 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2002 heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van 12 september 2000 vernietigd.

Bij besluit van 12 april 2002 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het gebruik als dakterras van het dak van de garage en de uitbouw op het perceel [locatie] te [plaats] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door zijn [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.H. van Zundert, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college het verzoek om handhavend op te treden ter zake van volgens appellant illegale bebouwing en illegaal gebruik op het perceel van zijn buurman aan de [locatie] te [plaats], heeft kunnen afwijzen.

2.2. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep heeft verklaard betreft het geschil het plaatsen van een hekwerk op het dak van de garage en het gebruik van het dak van deze garage en van de uitbouw van de woning als dakterras.

Het hekwerk op het dak van de garage

2.3. De Afdeling stelt vast dat het college de buurman van appellant bij besluit van 18 augustus 1999 bouwvergunning heeft verleend voor onder meer het aanbrengen van een hekwerk op het dak van de garage. Dit hekwerk is aangegeven op een bij de vergunning behorende tekening. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 augustus 1999 heeft het college bij besluit van 23 november 1999 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld, zodat het besluit van 18 augustus 1999 in rechte onaantastbaar is geworden. Het college is dan ook niet bevoegd om tegen het hekwerk met bestuursdwang op te treden. Ook de rechtbank is tot dat oordeel gekomen.

In dit verband merkt de Afdeling nog op dat de bouwvergunning van 18 augustus 1999, blijkens de daarbij behorende tekening, ziet op één hekwerk in de lengterichting op het dak van de garage. Niet is gebleken dat vergunning is verleend voor andere hekwerken op het dak van de garage en voor hekwerken op het dak van de uitbouw.

2.4. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

Het gebruik van het dak van de garage en de uitbouw als dakterras

2.5. Appellant heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van het dak van de garage en van de uitbouw als terras op grond van strijd met het bestemmingsplan. Vanaf die daken hebben de buren rechtstreeks zicht in zijn keuken en serre, waardoor zijn privacy wordt geschaad. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft appellant foto’s getoond van een zitje op het dak van de garage.

2.6. Het perceel [locatie] heeft ingevolge het bestemmingsplan “Klein Engendaal 2000” de bestemming “Woondoeleinden (W)”.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planvoorschriften – voor zover hier van belang – zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen en tuinen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op gronden als bedoeld in lid 3.1 uitsluitend woningen, uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder h, - voor zover hier van belang - geldt voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 3.3 de eis dat een uitbouw uit één bouwlaag bestaat.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder i, van de planvoorschriften wordt onder uitbouw verstaan: een aan een woning aangebouwd, voor bewoning bestemd gebouw dat als uitbreiding van die woning dient.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan: een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

Niet in geschil is dat de garage een bijgebouw is in evenbedoelde zin.

2.7. Gelet op de hiervoor weergegeven planvoorschriften mag een uitbouw uit slechts één bouwlaag bestaan. Dat betekent dat uitsluitend de ruimte in de uitbouw voor woondoeleinden mag worden gebruikt. Door het dak van de uitbouw als dakterras te gebruiken, wordt in feite een tweede bouwlaag gecreëerd, wat in strijd met de planvoorschriften moet worden geacht.

Aangezien het dak van de garage en het dak van de uitbouw op elkaar aansluiten en samen als een geheel moeten worden beschouwd, moet ook het gebruik van het dak van de garage als terras in strijd met de planvoorschriften worden geacht. Dat zou anders kunnen zijn indien de planvoorschriften een aanknopingspunt zouden bieden om een dak van een bijgebouw als terras te gebruiken. Nu dat niet het geval is kan ter zake van het gebruik van het dak van de uitbouw en het bijgebouw als terras in dit geval geen onderscheid worden gemaakt.

2.8. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het college zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om op te treden tegen het gebruik van de desbetreffende daken als dakterras. De rechtbank heeft dat miskend.

2.9. Het hoger beroep is dan ook in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 12 april 2002 in zoverre alsnog gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de desbetreffende bezwaren van appellant te beslissen.

2.10. Het college dient op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 25 oktober 2002, SBR 02/1043, gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van het college van 12 april 2002, P&B/2002/3760, tot weigering handhavend op te treden tegen het gebruik van het dak van de garage en de uitbouw als dakterras;

II. vernietigt die uitspraak in zoverre;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 12 april 2002, P&B/2002/3760, voor zover dat betrekking heeft op de weigering om handhavend op te treden tegen gebruik van de garage en de uitbouw als dakterras;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. draagt het college op om binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellant toe te zenden;

VII. veroordeelt het college in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 43,96; het bedrag dient door de gemeente Soest te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat de gemeente Soest aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 en € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

202.