Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200205803/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2002, het bestemmingsplan "herziening bestemmingsplan Noord-Zuidlijn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205803/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te woonplaats],

3. de stichting "Stichting Behou Gerard Dou", gevestigd te Amsterdam, en andere (hierna: de Stichting en andere)

4. de vereniging "Vereniging De Bovengrondse", gevestigd te Amsterdam, en [appellant sub 4], wonend te Amsterdam, (hierna: de Vereniging en andere)

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2002, het bestemmingsplan "herziening bestemmingsplan Noord-Zuidlijn" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 oktober 2002, kenmerk 2002-12214, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij faxbericht van 2 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2002, [appellant

sub 2] bij brief van 16 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2002, de Stichting en andere bij brief van 14 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2002, en de Vereniging en andere bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar [appellant sub 1] , in persoon, [appellant sub 2], in persoon, de Stichting en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Vereniging en andere, in de persoon van [appellant sub 4] en bijgestaan door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar de gemeenteraad van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. J.P. Smit, ambtenaar van de gemeente, alsmede het Projectbureau Noord/Zuidlijn, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en [deskundige], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is vastgesteld ter voldoening aan artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en is een herziening van het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn”. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2001, nummer E01.99.0226/1, en naar aanleiding van het goedkeuringsbesluit van verweerder van 27 maart 2001, nr. 2001-6662, genomen naar aanleiding van genoemde uitspraak.

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

Ontvankelijkheid

2.2. De beroepsgronden van de Stichting en andere, gericht tegen het ontbreken van het lengteprofiel en gericht tegen het plandeel met de nadere aanduiding “Openbare ruimte ten behoeve van langzaam verkeer” ter hoogte van [de locatie], steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van de Stichting en andere is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Formele bezwaren

2.3. De Stichting en andere menen dat de terinzagelegging van het plan niet op juiste wijze is geschied en dat stukken ontbreken bij de publicatie in het gemeenteblad.

De Vereniging en andere stellen dat het plan ten onrechte aan de kerngroep van de subcommissie voor de gemeentelijke plannen en de stadsvernieuwing van de provinciale planologische commissie is voorgelegd gezien de zwaarte van de besluitvorming.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan met de daarbij behorende stukken, zoals genoemd in artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, op de in de wet voorgeschreven wijze terinzage heeft gelegen. Voorts is gepubliceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. De Afdeling overweegt in dit verband dat geen wettelijke regeling valt aan te wijzen op grond waarvan de gemeenteraad verplicht is het bestemmingsplan integraal te publiceren in een gemeenteblad.

Verder is onbetwist dat de door de Vereniging en andere bedoelde kerngroep een subcommissie van de provinciale planologische commissie is als bedoeld in artikel 53, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een en ander in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Beroepsgronden ten aanzien van de gehele Noord-Zuidlijn

2.4. De Afdeling overweegt dat zij bij vorengenoemde uitspraak van 20 februari 2001 delen van het besluit van verweerder van 20 april 1999, no. 98-915490, waarbij het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” is goedgekeurd, heeft vernietigd en tevens aan een aantal plandelen goedkeuring heeft onthouden. Voor het overige is het goedkeuringsbesluit in stand gebleven, zodat het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” onherroepelijk is wat betreft de plandelen waarop dit deel van het goedkeuringsbesluit ziet. Beroepsgronden die zien op het reeds onherroepelijke deel van het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” kunnen in deze procedure niet meer aan de orde komen. Hieruit vloeit voort dat ook de beroepsgronden die in wezen zien op de aanleg van de “Noord-Zuidlijn” als zodanig niet opnieuw ter discussie kunnen staan.

Gelet op het vorenstaande treffen de bezwaren van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en andere, voorzover deze zijn gericht tegen de onherroepelijke delen van het plan “Noord-Zuidlijn” dan wel in wezen zijn gericht tegen de gehele Noord-Zuidlijn, dan ook geen doel.

Beroepsgronden ten aanzien van het station Ceintuurbaan

2.5. [appellant sub 2] en de Vereniging en andere voeren aan dat verweerder ten onrechte is voorbijgegaan aan de door hen aangevoerde nieuwe omstandigheden en feiten die zich hebben voorgedaan na de vorige besluitvorming. Verder stellen de Vereniging en andere dat ernstige bezwaren bestaan ten aanzien van de operationele veiligheid voor station Ceintuurbaan.

2.5.1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 februari 2001 goedkeuring onthouden aan het gedeelte van de Noord-Zuidlijn in de Ferdinand Bolstraat bij de Ceintuurbaan, het station Ceintuurbaan, omdat verweerder niet kon aannemen dat op aanvaardbare wijze tegemoet zou worden gekomen aan de belangen van hen die schade lijden als gevolg van de aanleg van de Noord-Zuidlijn.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat de bezwaren van appellanten gericht tegen de goedkeuring van dit plandeel reeds aan de orde zijn geweest in eerdergenoemde uitspraak en geen aanleiding hebben gegeven tot de onthouding van goedkeuring. Naar het oordeel van de Afdeling zijn er geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een andersluidend oordeel. De Afdeling overweegt hiertoe als volgt.

In eerdergenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de aanleg van de in het plan opgenomen noodvoorzieningen de uitvoering van het plan betreft en, nu het plan aan de aanleg daarvan niet in de weg staat, in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde is. De door de Vereniging en andere overgelegde brief van de Commandant Brandweer Rotterdam van 11 februari 2003 maakt dit niet anders.

Verder stelt de Afdeling vast dat de door appellanten overgelegde gegevens, waaronder de resultaten van de Mondriaanproef, het rapport nr. 9 van de audit-commissie NZL en de omstandigheid dat Amsterdam Centrum is aangewezen als beschermd stadsgezicht, dateren van vóór bovengenoemde uitspraak en reeds zijn beoordeeld in het kader van de vorige procedure.

Voorts is ter zitting komen vast te staan dat het rapport van GEO Delft en het overgelegde rapport van AON Risk Consultants B.V. de bouwkundige risico’s van de aanleg van de Noord-Zuidlijn betreffen en zien op de wijze van de uitvoering van het plan wat betreft de methode van boren. De Afdeling heeft in eerdergenoemde uitspraak ten aanzien van de bouwkundige risico’s overwogen dat zij in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding ziet om aan te nemen dat het plan op onzorgvuldige wijze is voorbereid. Voorts behoefde verweerder, gelet op de resultaten van de onderzoeken en de voorgenomen maatregelen in verband met mogelijke risico’s, in redelijkheid in dit bezwaar geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Vorengenoemde rapporten leiden niet tot een andersluidend oordeel.

Beroepsgronden ten aanzien van de Sixhaven

2.6. De Stichting en andere stellen dat de gemeenteraad ten onrechte de plandelen van het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” met de bestemmingen “Ondergronds railtracé waarboven openbare ruimte” en “Ondergronds railtracé waarboven water” niet heeft meegenomen in het thans bestreden plan nu verweerder bij besluit van 27 maart 2001 hieraan alsnog goedkeuring heeft onthouden.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat verweerder bij besluit van 27 maart 2001 aan het plandeel met de bovengenoemde bestemmingen goedkeuring heeft onthouden voorzover het de gronden ter hoogte van de Sixhaven betreft. Anders dan appellanten menen, heeft dit slechts tot gevolg dat de gemeenteraad een artikel 30-plan diende vast te stellen ten aanzien van dit plandeel en niet voor alle plandelen in het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” met genoemde bestemmingen.

Slotoverweging

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen, voorzover ontvankelijk, zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Stichting en andere, voorzover gericht tegen het ontbreken van het lengteprofiel en gericht tegen het plandeel met de nadere aanduiding “Openbare ruimte ten behoeve van langzaam verkeer” ter hoogte van [de locatie], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], de Stichting en andere, voorzover ontvankelijk, en de Vereniging en andere ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

317-409.