Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200204151/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 15 juni 1999 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (hierna: het college) aan appellant meegedeeld dat hem een tegemoetkoming is toegekend in aanvulling op de hem door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) toegekende tegemoetkoming op grond van de Regeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 275

Uitspraak

200204151/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 21 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen.

1. Procesverloop

Bij brief van 15 juni 1999 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (hierna: het college) aan appellant meegedeeld dat hem een tegemoetkoming is toegekend in aanvulling op de hem door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) toegekende tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998.

Bij besluit van 29 januari 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaar- en beroepschriften van 8 december 2000, het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 december 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en Gedeputeerde Staten, vertegenwoordigd door mr. J. Kunst, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In oktober 1998 heeft het in verband met de extreem zware regenval ingestelde crisismanagementteam, bestaande uit bestuurlijke en ambtelijke vertegenwoordigers van de waterschappen en de gemeenten in de provincie Groningen en de provincie Groningen, besloten om - onder meer - de Tussenklappenpolder onder water te zetten. Omdat deze inundatie veel schade en kosten heeft veroorzaakt, heeft het college besloten gedupeerden in individuele gevallen een tegemoetkoming toe te kennen in aanvulling op de tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998. Het college heeft hierover afspraken gemaakt met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze afspraken zijn vastgelegd in de brief van het college aan de Staatssecretaris van 21 september 1999.

2.2. In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 15 juni 1999 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat tegen de beslissing geen beroep bij de bestuursrechter openstaat, en derhalve ook geen bezwaar kon worden gemaakt.

2.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals bevestigd in de uitspraak van 3 april 2000, inzake H01.99.0430, AB 2000, 222, kan (na bezwaar) beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding terzake van de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke taak of een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, indien deze beslissing is gebaseerd op een in een gepubliceerde beleidsregel neergelegde nadeelcompensatieregeling. Vast staat dat de door het college met de Staatssecretaris gemaakte afspraken omtrent de aanvullende vergoeding niet zijn gepubliceerd. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat deze afspraken niet kunnen worden aangemerkt als nadeelcompensatieregeling, zodat uit dien hoofde geen sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

2.4. Voorts kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie de uitspraak van 6 mei 1997, inzake H01.96.0578/Q01, AB 1997, 229, geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een beslissing naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade, indien die schade is veroorzaakt door de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid waartegen geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Dit is in een situatie als deze, waarin geen sprake is van een verzoek maar van ambtshalve toekenning van een aanvullende schadevergoeding, niet anders.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de schade van appellant het gevolg is van een beslissing tot feitelijk handelen. Daartegen staat op grond van artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar of beroep open. Niet gebleken is dat sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De omstandigheid dat de beslissing door of namens een bestuursorgaan is genomen, al of niet in het kader van de publieke taakuitoefening met betrekking tot de openbare orde en de rampenbestrijding, maakt die beslissing niet tot een rechtshandeling. Van andere dan feitelijke gevolgen is de Afdeling niet gebleken.

2.5. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd omdat daarin niet wordt ingegaan op de door hem overgelegde tijdschriftpublicatie over inundatie van gebieden. In deze publicatie wordt immers slechts een door de auteurs gewenste regeling met betrekking tot inundatie voorgesteld. Ook deze publicatie biedt derhalve geen grondslag voor het oordeel dat de beslissing om een dijk door te steken een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb behelst.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

164-413.