Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
200303637/1 en 20033637/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2002 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de Algemeen Directeur) de aan appellante verleende erkenning bedrijfsvoorraad tijdelijk ingetrokken voor een periode van twaalf weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303637/1 en 20033637/2.

Datum uitspraak: 17 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond van 26 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2002 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de Algemeen Directeur) de aan appellante verleende erkenning bedrijfsvoorraad tijdelijk ingetrokken voor een periode van twaalf weken.

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft de Algemeen Directeur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2003, verzonden op 27 mei 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 5 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij separate brief van 5 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op

6 juni 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Broekmans, advocaat te Roermond, en de Algemeen Directeur, vertegenwoordigd door

drs. J. Greidanus en mr. R. Grimbergen, ambtenaren van de Dienst Wegverkeer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan de Dienst Wegverkeer (hierna: DW) aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Ingevolge artikel 62, vierde lid, van de WVW kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Deze voorschriften en regels zijn vastgesteld - onder meer - bij het Kentekenreglement (Stb. 760, 1994) en de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad van 13 december 1994, Stcrt. 248 (hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW kan de DW een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

2.2. Met betrekking tot het toezicht op erkenningen bedrijfsvoorraad en handelaarskentekenbewijzen voert de DW een beleid dat is neergelegd in zogeheten Toezichtbeleidsbrieven. De in de voorliggende zaak van toepassing zijnde brief dateert van 15 februari 1999, gewijzigd bij brief van 1 oktober 1999. Volgens dit beleid kunnen de volgende sancties worden opgelegd: a. waarschuwing; b. voorwaardelijke intrekking; c. tijdelijke intrekking (maximaal twaalf weken); d. definitieve intrekking; e. schorsing (maximaal twaalf weken). Welke sanctie wordt opgelegd is afhankelijk van de zwaarte van de overtreding en van de voorgeschiedenis.

2.3. In het onderhavige geval is, na een controle op 17 september 2002, de aan appellante verleende erkenning bedrijfsvoorraad tijdelijk voor een periode van twaalf weken ingetrokken. Daaraan zijn een tweetal bij die controle geconstateerde overtredingen ten grondslag gelegd, te weten:

a. het voor het voertuig met het kenteken […] uitschrijven van een vrijwaringsbewijs zonder voorafgaande aanmelding in de bedrijfsvoorraad, en

b. het bij de verkoop van het voertuig met het kenteken […] niet onder zich houden van het kentekenbewijs deel I en het voertuig, totdat appellante het vrijwaringsbewijs had ontvangen.

Hierbij is in aanmerking genomen dat aan appellante in verband met een eerdere – bij een controle op 13 september 2001 geconstateerde - overtreding van, onder meer, artikel 28 van het Kentekenreglement een waarschuwingsbrief is gestuurd op 25 september 2001.

2.4. In het betoog van appellante dat het sanctiebeleid onvoldoende is toegesneden op de omstandigheden waaronder de werkzaamheden in de praktijk plaatsvinden is geen grond te vinden voor het oordeel dat het door de DW gehanteerde sanctiebeleid, zoals neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999 onevenredig bezwarend is of om een andere reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd.

2.5. Appellante betoogt voorts dat de hierboven in overweging 2.3. onder a genoemde overtreding door de Algemeen Directeur buiten beschouwing had moeten worden gelaten, nu deze nog vóór de eerste controle op 13 september 2001 heeft plaatsgevonden, zodat van een nieuwe overtreding geen sprake is.

2.6. Dit betoog slaagt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het voor het voertuig met het kenteken […] uitschrijven van een vrijwaringsbewijs zonder voorafgaande aanmelding in de bedrijfsvoorraad heeft plaatsgevonden op 18 april 2001. Die overtreding heeft derhalve, naar appellante terecht aanvoert, plaatsgevonden voor de controle op 13 september 2001, die aanleiding heeft gevormd om appellante bij brief van 25 september 2001 overeenkomstig het onder overweging 2.2. weergegeven beleid te waarschuwen dat een - na de controle d.d. 13 september 2001 - volgende overtreding kan leiden tot een voorwaardelijke, tijdelijke of definitieve intrekking van de erkenning. Dit betekent dat deze overtreding ten onrechte mede ten grondslag is gelegd aan het in bezwaar gehandhaafde besluit. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter heeft dit ten onrechte niet onderkend. De Algemeen Directeur zal in zijn heroverweging dienen te bezien of de resterende overtreding conform het door hem gevoerde beleid een intrekking van twaalf weken rechtvaardigt.

2.7. Het vorenstaande in aanmerking genomen, komt de Voorzitter niet toe aan hetgeen appellante overigens heeft betoogd, te weten dat de Algemeen Directeur onvoldoende rekening met haar belangen heeft gehouden en dat de opgelegde sanctie buitenproportioneel is.

2.8. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Voorzitter het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. De Directeur zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Gelet op het vorenstaande bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

2.10. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling op na te melden wijze.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond van 26 mei 2003, nrs. 03/385 en 03/386 WET V1;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer van 27 maart 2003, kenmerk VIZ 2003/1704/3432;

V. wijst het verzoek af;

VI. veroordeelt de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Dienst Wegverkeer te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de Dienst Wegverkeer aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00 en € 348,00 en € 348,00 = € 928,00 in totaal) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bakker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2003

393-391.