Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
200303290/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 9 april 2003, AM036307242, heeft verweerder medegedeeld dat het ten aanzien van de [locatie] te [plaats] in het kader van een melding van [vergunninghouder] als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming ingediende saneringsplan van rechtswege is goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Wet bodembescherming 28
Wet bodembescherming 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/951
JBO 2005/230
M en R 2003, 135

Uitspraak

200303290/1.

Datum uitspraak: 15 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 9 april 2003, AM036307242, heeft verweerder medegedeeld dat het ten aanzien van de [locatie] te [plaats] in het kader van een melding van [vergunninghouder] als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming ingediende saneringsplan van rechtswege is goedgekeurd.

Tegen deze instemming van rechtswege hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juni 2003, waar verzoekers, van wie [verzoeker A] in persoon en bijgestaan door mr. B. Arentz, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.M.A.E. van de Hulsbeek en ir. A.M. Heijna, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Namens [vergunninghouder] is het woord gevoerd door mr. J.J. de Boer, advocaat te Hoorn, en [gemachtigde] en [gemachtigde], beiden directeur.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb), voorzover hier van belang, behoeft het saneringsplan onder meer de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Zij beslissen hierover binnen dertien weken na de indiening van het saneringsplan. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van dertien weken een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 88, eerste lid, onder a, van de Wbb wordt onder meer de gemeente Amsterdam gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van onder meer artikel 39 van de Wet bodembescherming.

2.2. Van rechtswege is ingestemd met het bij de melding overgelegde saneringsplan van 31 oktober 2002, kenmerk 397.106, dat is opgesteld door adviesbureau [naam adviesbureau] In dit plan, dat betrekking heeft op sanering van de met zware metalen, PAK’S en minerale olie verontreinigde grond op de [locatie] te [plaats], wordt onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat de bodem geen verontreiniging met asbest bevat. De sanering zal plaatsvinden op de binnenplaats van het terrein.

2.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker A] geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu hij niet in de directe omgeving van de saneringslocatie woonachtig is en voorts zijn woon- en leefomgeving door de sanering niet zal worden aangetast.

2.3.1. Verzoekers zijn van mening dat [verzoeker A] dient te worden aangemerkt als belanghebbende, aangezien hij binnen een straal van 200 meter van de saneringslocatie woont en hij mogelijk gevolgen van de bodemverontreiniging, met name van de daarin aanwezige asbest, en de sanering ervan zal ondervinden.

2.3.2. De Voorzitter stelt vast dat niet in discussie is dat [verzoeker B] belanghebbende is. Reeds daarom zal de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening behandelen. De vraag of [verzoeker A], gelet op de afstand van zijn woning tot het te saneren perceel en op de beweerdelijk bijzondere omstandigheden, eveneens als belanghebbende dient te worden aangemerkt, behoeft thans geen bespreking.

2.4. Verzoekers stellen onder meer dat niet kon worden ingestemd met het saneringsplan, omdat de aangetroffen asbestverontreiniging, die zich blijkens het plan van aanpak onder meer bevindt in de bodem van de binnenplaats, ten onrechte niet is meegenomen in het saneringsplan. Verweerder had nader onderzoek moeten verrichten naar de aard van de verontreiniging op de binnenplaats, aldus verzoekers. De maatregelen die thans zijn voorgeschreven met betrekking tot het afgraven van de verontreinigde bodem zijn volgens verzoekers niet toereikend wat betreft de verontreiniging van de bodem met asbest.

2.4.1. Verweerder betoogt dat eerst op 20 december 2002, derhalve na ontvangst van het saneringsplan, asbest op de aan de orde zijnde locatie is aangetroffen. Verweerder heeft gemeend dat hiervoor geen (nieuw) saneringsplan behoefde te worden opgesteld, aangezien de saneringsdoelstelling en de uitvoering van de sanering van de binnenplaats door de asbestverontreiniging niet zijn veranderd en dat de asbestverontreiniging ter plaatse van de bebouwing van de voormalige bouwmarkt in zijn geheel verwijderd zal worden. Volgens verweerder kon worden volstaan met een opgesteld plan van aanpak, dat door hen is goedgekeurd.

2.4.2. Het saneringsplan heeft betrekking op een terrein van een voormalige bouwmarkt, waarop ook een binnenplaats ligt. De bodem van het terrein is verontreinigd met zware metalen, PAK’s en minerale olie.

Het saneringsplan is op 12 november 2002 door verweerder ontvangen. Nu verweerder niet binnen dertien weken na de indiening van het saneringsplan hierop heeft beslist, is instemming van rechtswege verleend.

Ten tijde van het indienen van het saneringsplan was nog niet bekend dat de bodem van het terrein met asbest was verontreinigd. Wel is gebleken dat verweerder ten tijde van de instemming met het saneringsplan op de hoogte was van de aanwezigheid van asbest in de bodem van het terrein van de voormalige bouwmarkt.

Uit de stukken blijkt dat naar aanleiding van de vondst van fragmenten asbesthoudend materiaal op het maaiveld door Search Milieu BV een nader bodemonderzoek naar asbestverontreiniging is verricht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is op 6 maart 2003 door Search Milieu BV een plan van aanpak, kenmerk 223142.0, opgesteld voor de verwijdering van asbest uit de bodem. Zowel in de bodem van de voormalige binnenplaats als in de bodem van de bebouwde delen van het terrein is asbest aangetroffen. De bodem is geheel of ten dele boven de interventiewaarde met asbest verontreinigd en de omvang daarvan bedraagt meer dan 25 m2, zodat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, zo staat in het plan van aanpak vermeld. De asbestverontreiniging is te relateren aan de ophoging van het gebied, waarin het aan de orde zijnde terrein ligt, met restanten baksteen, glas en sintels. In het plan van aanpak wordt als maatregel de ontgraving tot 1 meter grond onder het maaiveld van het gedeelte van het terrein waarop bebouwing staat beschreven. Indien dan nog asbest aanwezig is in de bodem zal dieper worden ontgraven, tot uiterlijk 3,5 meter onder het maaiveld. De Voorzitter stelt vast dat het onderhavige saneringsplan uitsluitend betrekking heeft op de verwijdering van zware metalen, PAK’s en minerale olie uit de bodem van de binnenplaats van de voormalige bouwmarkt. Daartoe zal de bodem van de binnenplaats tot 1 meter onder het toekomstig maaiveld worden afgegraven, waarna een leeflaag zal worden aangebracht.

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven het wenselijk te achten de in de bodem van de binnenplaats aangetroffen asbestverontreiniging tegelijkertijd met de sanering van zware metalen, PAK’s en minerale olie aan te pakken. De Voorzitter leidt hieruit af dat verweerder zich kennelijk op het standpunt stelt dat het gaat om één geval van verontreiniging dan wel dat als het twee gevallen van verontreiniging betreft toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 42 van de Wbb, dat voorziet in het tegelijkertijd saneren van twee gevallen van verontreiniging.

Volgens verweerder zou het plan van aanpak voorzien in een gezamenlijke aanpak van de asbestverontreiniging en de verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en minerale olie. De Voorzitter constateert echter dat het plan van aanpak, nog daargelaten de status daarvan, geen betrekking heeft op de binnenplaats. Het saneringsplan ziet daarentegen uitsluitend op de verontreiniging met onder meer zware metalen en ziet niet op de asbestverontreiniging in de bodem van de binnenplaats. Voorts zijn de noodzakelijk geachte maatregelen ter sanering van de zware metalen, PAK’s en minerale olie uit de bodem mogelijk niet toereikend ter verwijdering van asbest. Nu verweerder een gezamenlijke aanpak wenselijk acht, maar in het saneringsplan noch anderszins daarin is voorzien, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 12 februari 2003, waarbij van rechtswege is ingestemd met het saneringsplan van 31 oktober 2002, kenmerk 397.106, tot zes weken na de beslissing op het door verzoekers bij verweerder ingediende bezwaarschrift;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 675,87, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer);

III. gelast dat de gemeente Amsterdam aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2003

163-353.