Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200300788/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen het uitwerkingsplan "Velserbroek 33e uitwerking" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300788/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen het uitwerkingsplan "Velserbroek 33e uitwerking" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 januari 2003, kenmerk 2002-48461, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2003, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Velsen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2003, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. N.A. Luijten, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar het college van burgemeester en wethouders van Velsen, vertegenwoordigd door drs. H. Kloosterman, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan behelst deels een uitwerking van het bestemmingsplan "Velserbroek" en deels een uitwerking van het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening". Het plan voorziet onder meer in de bouw van 251 woningen en in woonwagenstandplaatsen voor maximaal 9 woonwagens.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen in hun beroepschrift dat het vastgestelde plan wat betreft de situering van de woonwagenstandplaatsen is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp en dat het vastgestelde plan ten onrechte nooit ter inzage heeft gelegen. Ter zitting hebben appellanten aangegeven inmiddels te hebben geconstateerd dat dit niet het geval is, en zij hebben daar het beroep op dit punt ingetrokken.

2.4. Appellanten stellen dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte geen overleg als bedoeld in het voormalige artikel 11, tweede lid, van de WRO met hen heeft gevoerd en dat het ten onrechte niet binnen tien jaar een uitwerkingsplan heeft opgesteld.

2.4.1. Een bepaling waarin het voeren van overleg wordt voorgeschreven, zoals het voormalige artikel 11, tweede lid, van de WRO, is in de huidige WRO niet opgenomen. Nu voorts noch in de procedureregels van artikel 31 van het bestemmingsplan "Velserbroek", noch in de procedureregels van artikel 31 van het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening" een verplichting tot overleg is opgenomen, treft de stelling van appellanten dat ten onrechte geen overleg met hen is gevoerd geen doel. Dat de WRO ten tijde van de vaststelling van zojuist genoemde bestemmingsplannen wel een dergelijke verplichting kende, doet hieraan niet af.

De stelling van appellanten dat het bestemmingsplan "Velserbroek" ten onrechte niet binnen tien jaar is uitgewerkt is juist. Vast staat dat dit bestemmingsplan is vastgesteld op 20 oktober 1983. Het verstrijken van de periode van tien jaar als bedoeld in artikel 33 WRO laat de plicht tot uitwerking van een bestemmingsplan echter onverlet.

2.5. Appellanten stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonwagenstandplaatsen". Appellanten zijn van mening dat de uitwerkingsregels van het moederplan geen ruimte bieden voor woonwagenstandplaatsen of in ieder geval op geen enkele wijze inzicht bieden in de mogelijkheden die het plan schept ten aanzien van woonwagenstandplaatsen. Voorts zijn appellanten van mening dat het college van burgemeester en wethouders een ruimere definitie van het begrip woonwagen heeft gegeven dan was opgenomen in de destijds geldende regelgeving inzake woonwagens en dat het daarmee niet binnen de uitwerkingsregels van het moederplan is gebleven. Daarnaast stellen appellanten dat er geen behoefte is aan woonwagenstandplaatsen, dat de standplaatsen een verslechtering van het woonmilieu op het perceel met zich brengen en dat geen alternatieven zijn onderzocht.

2.5.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitwerkingsplan past in het provinciale ruimtelijke beleid. Verweerder heeft het plan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd.

2.5.2. Ter zitting is gebleken dat het plan wat betreft het gebied waar de woonwagenstandplaatsen mogelijk worden gemaakt, een uitwerking is van het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening".

Ingevolge de plankaart bij het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening" heeft dit gebied de bestemming "Uit te werken woondoeleinden -UW-". Ingevolge artikel 4, lid A, aanhef en onder 1, van de voorschriften van dit bestemmingsplan zijn gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor "woondoeleinden, waaronder begrepen woonwagenlocaties". De bebouwingsbepalingen van artikel 4, lid BI, van de voorschriften bij het bestemmingsplan bepalen voorts dat ten hoogste twee woonwagenlocaties mogen worden ingevuld met ieder maximaal 15 standplaatsen. Nu het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt tot het plaatsen van woonwagenplaatsen en bovendien nadere voorschriften geeft ten aanzien van het maximum aantal standplaatsen, volgt de Afdeling appellanten noch in hun stelling dat het bestemmingsplan geen ruimte biedt voor het aanleggen van dergelijke standplaatsen, noch in hun betoog dat het plan op geen enkele wijze inzicht biedt in de mogelijkheden met betrekking tot het aanleggen van woonwagenstandplaatsen.

Ingevolge de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening" geldende Woonwagenwet werd onder het begrip "woonwagen" verstaan: een voor bewoning bestemd gebouw in de zin van de Woningwet dat is geplaatst op een standplaats in de zin van die wet en dat geheel of in delen kan worden verplaatst. In artikel 1, onder 26, van de voorschriften bij het uitwerkingsplan is "woonwagen" gedefinieerd als: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat geheel of in delen kan worden verplaatst. Het uitwerkingsplan geeft naar het oordeel van de Afdeling met deze definitie geen ruimere uitleg aan het begrip "woonwagen" dan op grond van de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Velserbroek 1e herziening" geldende regelgeving was toegestaan, wat daarvan ook zij. De Afdeling ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het uitwerkingsplan de regels van dat bestemmingsplan worden verruimd.

2.5.3. Wat betreft de behoefte aan woonwagenstandplaatsen overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is door het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de plaatsen waar zich volgens appellanten ongebruikte woonwagenstandplaatsen bevinden onweersproken gesteld dat het hierbij slechts mogelijkheden betreft, voor de verwezenlijking waarvan nog geen planologische basis bestaat. Op de in het uitwerkingsplan voorziene plaats wordt nu voor het eerst verwezenlijking van woonwagenstandplaatsen daadwerkelijk mogelijk, aldus het college. De stelling van appellanten dat in de buurt reeds woonwagenstandplaatsen aanwezig zijn en dat hierom geen behoefte is aan nieuwe standplaatsen, treft dan ook geen doel. Nu ter zitting voorts is gebleken dat voldoende interesse is getoond in woonwagenstandplaatsen op de in het uitwerkingsplan voorziene plaats, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen menen dat behoefte bestaat aan woonwagenstandplaatsen aldaar.

De vraag of een plan als het onderhavige voorziet in een afstand die zo gering is dat het woon- en leefklimaat van de bewoners van het aangrenzende perceel wordt aangetast, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval bevindt zich, naar is gebleken uit de stukken en het verhandelde ter zitting, tussen het gebied met de woonwagenstandplaatsen en het perceel van appellanten een sloot met een breedte van 6 meter. De afstand van de standplaatsen tot de woning van appellanten bedraagt 25 meter. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene afstand tussen de woonwagenstandplaatsen en het perceel van appellanten, gelet op het belang van de bewoners bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat, niet te kort is.

Wat betreft de stelling van appellanten dat niet is gekeken naar een alternatieve plaats binnen het plangebied van het uitwerkingsplan overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan, waarvan de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

317-448.