Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200203629/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Nijkerk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied Hoevelaken".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juni 2002, kenmerk RE2001.106366, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203629/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats], samen [appellanten sub 2],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Nijkerk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied Hoevelaken".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juni 2002, kenmerk RE2001.106366, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 27 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2002, appellanten sub 2 bij brief van 7 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, appellant sub 3 bij brief van 12 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2002, en appellant sub 4 bij brief van 13 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 november 2002 heeft verweerder meegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 maart 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders en van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2003, waar appellante sub 1, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede, appellant sub 3, vertegenwoordigd door mr. Van der Linde, voornoemd, appellant sub 4, vertegenwoordigd door mr. Van der Linde, voornoemd, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. R.C. Zweers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Nijkerk, vertegenwoordigd door F.M. Wiedenhoff, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

Planbeschrijving en toetsingskader

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het gehele buitengebied van de voormalige gemeente Hoevelaken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan enkele plandelen en planvoorschriften en het plan voor het overige goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Beroep [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] meent dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover dat niet de mogelijkheid biedt een paardenfokkerij te vestigen op haar gronden aan de Laakweg te Hoevelaken. Naar de mening van appellante rechtvaardigt het aantal Nederlandse grootte-eenheden (hierna: NGE) van haar bedrijf de toekenning van de bestemming “Agrarisch gebied” met de aanduiding “middelgroot agrarisch bedrijf”. [appellant sub 1] betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de gemeente rekening zou houden met een ontwerpmilieuvergunning op basis waarvan haar bedrijf een hoger aantal NGE zou hebben. Voorts stelt zij dat het plan in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat aan omliggende kleinere agrarische bedrijven wel een bouwperceel van 5.000 m² is toegekend.

2.3.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan niet ingestemd met de vestiging van een paardenfokkerij, omdat het bedrijf geen volwaardig bedrijf vormt. Bij de berekening van het aantal NGE is de gemeenteraad uitgegaan van de milieuvergunning zoals deze ten tijde van de vaststelling van het plan gold.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft het standpunt van de gemeenteraad onderschreven. Strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel doet zich niet voor, aldus verweerder.

2.3.3. Blijkens de plankaart is aan een deel van het perceel van appellante de bestemming “Wonen” met de aanduiding “agrarische nevenactiviteiten” toegekend. Het overige deel is bestemd tot “Agrarische gebied”. Deze bestemmingen staan de vestiging van een paardenfokkerij niet toe. Het plan voorziet niet in een bevoegdheid het plan te wijzigen ten behoeve van de paardenfokkerij.

2.3.4. Over het betoog van appellante dat de paardenfokkerij in de door haar gewenste omvang voldoet aan het in de plantoelichting genoemde criterium voor toekenning van de aanduiding “middelgroot agrarisch bedrijf”, overweegt de Afdeling het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de voorgenomen activiteiten van appellante, die bestaan uit het fokken en zadelmak maken van paarden, kunnen worden aangemerkt als agrarische activiteiten.

Blijkens de toelichting bij het plan worden percelen waar sprake is van agrarische activiteiten met een omvang van tenminste 16 NGE maar minder dan 50 NGE, beschouwd als een reëel agrarisch bedrijf. Deze worden bestemd voor “middelgroot agrarisch bedrijf”. De verwachting heerst dat deze bedrijven een kans op voortbestaan als agrarisch bedrijf hebben. Mogelijkerwijs zien (enkele van) deze bedrijven kans om uit te groeien tot volwaardige agrarische bedrijven (met een omvang van meer dan 50 NGE). Dit betekent dat zij in planologisch opzicht de ruimte moeten krijgen om zich als agrarisch bedrijf te kunnen ontwikkelen, aldus de toelichting.

In aanmerking genomen de aanzienlijke investering die noodzakelijk is voor de vestiging van de paardenfokkerij, is de Afdeling van oordeel dat de paardenfokkerij niet kan worden aangemerkt als een enkel hobbymatige activiteit. Dat het bedrijf niet dadelijk een volwaardig bedrijf van meer dan 50 NGE vormt, maakt dit niet anders aangezien het plan blijkens de toelichting uitdrukkelijk erin voorziet reële agrarische bedrijven met een omvang van tenminste 16 NGE de mogelijkheid te bieden uit te groeien tot een volwaardig bedrijf.

Op 7 november 2001 is aan appellante overeenkomstig de daartoe strekkende aanvraag een milieuvergunning verleend voor het houden van tien volwassen paarden en tien jonge paarden. Blijkens het deskundigenbericht vertegenwoordigt de door appellante gewenste paardenfokkerij een NGE-waarde van ongeveer 23,92. Gelet hierop en in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven doelstelling van de aanduiding “middelgroot agrarisch bedrijf”, is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden van appellante niet in aanmerking komen voor de bestemming “Agrarisch gebied” en deze aanduiding. In dit verband wordt overwogen dat de milieuvergunning weliswaar eerst na de vaststelling van het plan is verleend, doch voor het bestreden besluit. Daargelaten de vraag of de gemeenteraad niet reeds rekening had moeten houden met de ontwerpmilieuvergunning, had het in ieder geval op de weg van verweerder gelegen om het inmiddels vergunde aantal paarden en de daaraan verbonden NGE-waarde bij zijn besluitvorming te betrekken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voorzover het de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen “Wonen” en “Agrarisch gebied” ter plaatse van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] betreft.

Beroep [appellanten sub 2]

2.4. [appellanten sub 2] hebben een opslagverhuurbedrijf met werkplaats en zagerij aan de [locatie 3] te [plaats]. Zij stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover daarbij de bestemming “Wonen” is toegekend aan de bedrijfsruimten van het bedrijf.

2.4.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat bedrijfsmatige verhuur van leegstaande opstallen ten behoeve van de opslag van goederen een activiteit betreft die per definitie niet thuishoort in het buitengebied. Hij heeft daarom de bestemming van het perceel in “Wonen” gewijzigd.

2.4.2. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat in het vorige bestemmingsplan aan het perceel van appellanten een agrarische bestemming ten behoeve van een kwekerij was toegekend. Voorts wijst verweerder erop dat de bedrijfsactiviteiten van appellanten in strijd zijn met die bestemming en dat het college van burgemeester en wethouders van de (voormalige) gemeente Hoevelaken deze activiteiten heeft gewraakt.

Dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid heeft om in incidentele gevallen vrijstelling te verlenen voor opslagactiviteiten, betekent volgens verweerder niet dat opslag ook bij recht dient te worden toegestaan.

2.4.3. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming “Wonen” toegekend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 8, zesde lid, onder b, van de voorschriften, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor het gebruik van bijgebouwen voor opslag. De vrijstelling kan slechts voor een periode van ten hoogste vijf jaar worden verleend. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze periode éénmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.

Uit het vorenstaande volgt dat de twee betrokken loodsen niet bij recht bestemd zijn voor bedrijfsmatige opslagactiviteiten. Het huidige gebruik van de loodsen, te weten voor de opslag van goederen en als werkplaats, is in strijd met de bestemming “Wonen”.

2.4.4. Blijkens de stukken bedraagt de werkelijke gezamenlijke oppervlakte van de twee betrokken loodsen ongeveer 1.350 m².

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning [locatie 3] niet meer dan 60 m² bedragen.

Hieruit volgt dat het grootste deel van de bijgebouwen niet als zodanig is bestemd maar onder het overgangsrecht is gebracht.

2.4.5. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad heeft onderkend dat ongeveer 1.290 m² van de gezamenlijke oppervlakte van de loodsen niet meer als zodanig is bestemd. Desgevraagd is namens de gemeenteraad medegedeeld dat gestreefd wordt naar verwijdering van de twee betrokken loodsen. Daarbij heeft de gemeenteraad gewezen op de zogeheten sloopregeling die is neergelegd in artikel 8, vierde lid, van de voorschriften van het plan. Deze regeling komt erop neer dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen voor het vergroten van de inhoud van een woning op voorwaarde dat een bepaald gedeelte van de bijgebouwen wordt gesloopt.

Blijkens het deskundigenbericht heeft de woning van [appellant sub 2a] thans reeds een inhoud van ongeveer 900 m³. De onderscheiden gevallen waarin de bevoegdheid tot verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de voorschriften, kan worden toegepast, betreffen geen van alle de vergroting van de inhoud van een woning met deze omvang. Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten derhalve terecht gesteld dat hun loodsen niet voor toepassing van de sloopregeling in aanmerking komen.

Nu voorts niet is gebleken dat de gemeenteraad van Nijkerk heeft voorzien in voldoende middelen om over te gaan tot aankoop en verwijdering van de betrokken loodsen, waarvoor indertijd bouwvergunning is verleend en die in een goede staat verkeren, is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de loodsen binnen de planperiode zullen worden verwijderd.

2.4.6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dienen gebouwen die niet binnen de planperiode zullen worden verwijderd in beginsel als zodanig te worden bestemd. Hiertoe kan niet gebruik worden gemaakt van een vrijstellingsregeling. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt met een vrijstellingsbevoegdheid immers beoogd in verband met mogelijk toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van het plangebied flexibiliteit binnen een bestemmingsplan te scheppen. Daarnaast is het verlenen van een vrijstelling een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders en geen verplichting zodat een dergelijke regeling aan betrokkenen minder rechtszekerheid biedt.

De Afdeling overweegt voorts dat de gemeenteraad, nu niet gebleken is dat de loodsen binnen de planperiode zullen worden verwijderd, daaraan een bestemming dient toe te kennen die aan het bestaan van de loodsen recht doet. De bestemming “Wonen”, die voorziet in de mogelijkheid een tijdelijke vrijstelling te verlenen om 60 m² van de oppervlakte te gebruiken voor opslag, kan niet als een zodanige bestemming worden aangemerkt reeds omdat daardoor ongeveer 1.290 m² van de gezamenlijke oppervlakte van de loodsen onder het overgangsrecht wordt gebracht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plandeel met de bestemming “Wonen” ter plaatse van het perceel [locatie 3] goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

2.4.7. Aangezien verweerder blijkens het voorgaande bij het nemen van een nieuw besluit niet anders kan beslissen dan goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Wonen” ter plaatse van het perceel [locatie 3] wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op deze wijze zelf in de zaak te voorzien.

Beroep [appellant sub 3]

2.5. [appellant sub 3] meent dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover dat niet de mogelijkheid biedt een cultureel centrum te vestigen op een gedeelte van zijn gronden aan de Veenwal te Hoevelaken. Naar de mening van appellant is de bouwvergunning hiervoor inmiddels van rechtswege verleend en dient het plan daarmee in overeenstemming te worden gebracht.

2.5.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan niet ingestemd met de vestiging van een cultureel centrum, omdat dit een voorziening betreft die in het centrum van een kern en niet in het buitengebied thuishoort.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat geen vergunning van rechtswege is verleend, onderschreven.

Verweerder acht een agrarische bestemming zonder bebouwingsmogelijkheid voor het betrokken perceel planologisch aanvaardbaar en in lijn met het provinciale beleid.

2.5.3. Aan het betrokken perceel van appellant heeft de gemeenteraad de bestemming “Agrarisch gebied” toegekend. Blijkens de planvoorschriften is nieuwbouw ten behoeve van een cultureel centrum niet toegestaan.

Blijkens het streekplan is het provinciale beleid erop gericht nieuwe ontwikkelingen die functioneel niet in het buitengebied passen, te weren.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Met de gemeenteraad en verweerder is de Afdeling van oordeel dat een cultureel centrum niet kan worden aangemerkt als een aan het buitengebied gebonden functie.

Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder bij zijn besluitvorming van dit beleid diende af te wijken. De door appellant gestelde van rechtswege verleende bouwvergunning, wat daar verder van zij, kan hoe dan ook niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt, reeds omdat het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk bij besluit van 29 december 2001 alsnog afwijzend heeft beslist op de bouwaanvraag van appellant en dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Dat betekent dat de rechtmatigheid van dat besluit als vaststaand moet worden aangenomen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Beroep [appellant sub 4]

2.6. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 4] te [plaats] en exploiteert op dit perceel een bedrijf voor de installatie en reparatie van agrarische (voeder)silo’s en voertransportsystemen. Hij stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover dat niet voorziet in de bouw van een scharrelkippenboerderij. Naar zijn mening maakt de toegekende bestemming “Wonen” met de aanduiding “+” daarnaast zijn huidige bedrijfsvoering onmogelijk.

2.6.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan niet de bestemming “Agrarisch gebied” met de aanduiding “middelgroot agrarisch bedrijf” aan het perceel toegekend omdat het bedrijf van appellant geen agrarisch bedrijf is. De gemeenteraad heeft in dit verband erop gewezen dat [appellant sub 4] geen dieren houdt en dat het bovendien fysiek onmogelijk is om overeenkomstig de geldende milieuvergunning pluimvee te houden. Het bedrijfsmatig opslaan, bewerken, verhandelen en construeren van silo’s vormt volgens de gemeenteraad geen agrarische activiteit en dient te worden uitgeoefend op een bedrijfsterrein. De gemeenteraad heeft om deze reden de bedrijfsactiviteiten van appellant niet gelegaliseerd.

2.6.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Onder verwijzing naar het beleid over niet aan het buitengebied gebonden functies heeft verweerder het standpunt van de gemeenteraad onderschreven dat het bedrijf van appellant op een bedrijventerrein dient te worden gevestigd. Verweerder heeft voorts in aanmerking genomen dat de opstallen zodanig zijn aangepast dat het houden van pluimvee niet mogelijk is.

2.6.3. De stelling van verweerder dat het silobedrijf van [appellant sub 4] niet gebonden is aan het buitengebied, acht de Afdeling in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.5.3. is overwogen over het weren van niet grondgebonden functies uit het buitengebied, niet onredelijk. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval had moeten afwijken van dit beleid. Gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting zijn er geen dringende bedrijfseconomische redenen noch andere bijzondere omstandigheden die vestiging van het bedrijf in het buitengebied vereisen.

Anders dan appellant meent, kan hij aan de door het college van burgemeester en wethouders verleende milieuvergunning en bouwvergunning geen recht tot toekenning van de bestemming “Agrarisch gebied” met de aanduiding “middelgroot agrarisch bedrijf” ten behoeve van een scharrelkippenboerderij ontlenen. In dit verband merkt de Afdeling op dat de op 7 november 1995 verleende bouwvergunning op 13 juli 2000 is ingetrokken omdat appellant hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Het besluit tot intrekking van de bouwvergunning is inmiddels onherroepelijk geworden, zodat in dit verband aan die vergunning geen betekenis meer toekomt.

Aan de milieuvergunning behoefde verweerder in dit geval evenmin doorslaggevende betekenis toe te kennen nu appellant blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting geen pluimvee houdt, daartoe geen concrete plannen heeft en de gebouwen voor dat doel ook niet meer geschikt zijn.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1] en van [appellanten sub 2]

Ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 4 juni 2002, kenmerk RE2001.106366, voorzover het betreft:

- de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Wonen” en de bestemming “Agrarisch gebied” ter plaatse van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats];

- de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Wonen” ter plaatse van het perceel [locatie 3] te [plaats];

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te [plaats];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Wonen” ter plaatse van het perceel [locatie 3] te [plaats];

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 1087,55;

dit bedrag dient door de provincie Gelderland als volgt te worden vergoed aan:

- [appellant sub 1] € 443,55, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

- [appellanten sub 2] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor [appellant sub 1] en € 218,00 voor [appellanten sub 2]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

177-400.