Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200203586/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 juni 2000, 8 mei 2001 en 29 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker (thans gemeente Den Haag) de uitwerkingsplannen “Uitwerkingsplannen Ypenburg-Pijnacker I, Ia en II” vastgesteld.

Aangezien verweerder niet binnen de ingevolge artikel 11, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn een besluit omtrent de goedkeuring van de uitwerkingsplannen aan de gemeenteraad schriftelijk bekend heeft gemaakt, worden, nu de situatie als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid zich hier niet voordoet, de uitwerkingen ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht te zijn goedgekeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203586/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 26 juni 2000, 8 mei 2001 en 29 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker (thans gemeente Den Haag) de uitwerkingsplannen “Uitwerkingsplannen Ypenburg-Pijnacker I, Ia en II” vastgesteld.

Aangezien verweerder niet binnen de ingevolge artikel 11, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn een besluit omtrent de goedkeuring van de uitwerkingsplannen aan de gemeenteraad schriftelijk bekend heeft gemaakt, worden, nu de situatie als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid zich hier niet voordoet, de uitwerkingen ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht te zijn goedgekeurd.

Tegen deze goedkeuring van rechtswege hebben appellanten bij brief van 2 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 20 augustus 2002 en 24 september 2002.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 18 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de vennootschap onder firma “Brasserhout v.o.f.”. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Nootdorp, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.C. Wassens, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door M. Houtman, ambtenaar der gemeente, en de vennootschap onder firma “Brasserhout v.o.f.”, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil voorzover het betreft het uitwerkingsplan “Uitwerkingsplan Ypenburg-Pijnacker I” (hierna: Uitwerkingsplan I), nu het ontwerp van dit plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het Uitwerkingsplan I heeft betrekking op het zuidwestelijke deel van het bestemmingsplan “Ypenburg-Pijnacker” (hierna: het bestemmingsplan) met uitzondering van de uiterste westhoek. Het uitwerkingsplan “Uitwerkingsplan Ypenburg-Pijnacker Ia” (hierna: Uitwerkingsplan Ia) heeft betrekking op enkele delen van het plangebied van Uitwerkingsplan I. Het uitwerkingsplan “Uitwerkingsplan Ypenburg-Pijnacker II” (hierna: Uitwerkingsplan II) heeft betrekking op het zuidoostelijke deel van het plangebied van het bestemmingsplan, met uitzondering van een terrein langs de zuidoostkant. De plannen beogen hoofdzakelijk woningbouw ter plaatse mogelijk te maken ter voldoening aan de in het bestemmingsplan opgenomen zogeheten Vinex-woningbouwtaakstelling.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van uitwerkingsplannen. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat de aan verweerder toekomende beoordelingsmarges zijn overschreden, dan wel dat het recht anderszins onjuist is toegepast.

2.4. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de goedkeuring van de plannen van rechtswege ertoe leidt dat niet zorgvuldig en gemotiveerd is beslist, wordt overwogen dat de wet zelf de gevolgen regelt die zijn verbonden aan de overschrijding door het college van gedeputeerde staten van de termijn om een beslissing aan de gemeenteraad toe te zenden. In dit geval is dat gevolg de goedkeuring van rechtswege van de plannen.

Het ontbreken van een inhoudelijke toetsing door verweerder is een rechtstreeks gevolg van deze wettelijke regeling. Het betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van de bestreden goedkeuring van rechtswege.

2.4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de plannen. Zij zijn van mening dat de woningbouw niet verenigbaar is met de bedrijfsactiviteiten op de gronden aan de [locatie]. Voorts menen appellanten dat door de nieuwe woonwijk mede te ontsluiten via de [locatie] onvoldoende rekening is gehouden met het belang van de bereikbaarheid van de bestaande woningen en bedrijven en met het belang van de paddenpopulatie langs de weg.

2.4.2. Op het perceel [locatie], dat ten oosten en zuiden grenst aan het gebied van de Uitwerkingsplannen I en Ia, hebben [appellant en een van de andere appellanten], op korte afstand van de voorziene woningen, hun bedrijven. Bij de beoordeling van het bestemmingsplan heeft verweerder aan dit plandeel goedkeuring onthouden. Ingevolge het voor de gronden aan de [locatie] geldende bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de bedrijven als zodanig bestemd. Onbestreden is dat een deel van de voorziene woningbouw binnen de hindercirkel van in ieder geval het bedrijf van [een van de andere appellanten] valt en dat deze situatie niet aanvaardbaar is.

In het ontwerp-bestemmingsplan “Ypenburg-Pijnacker, eerste herziening” zijn de bedrijven niet als zodanig bestemd. Tegen dit plan zijn, onder meer door [appellant en een van de andere appellanten], zienswijzen ingediend.

In een overeenkomst, gedateerd 29 november 2001 (hierna: de overeenkomst), zijn partijen overeengekomen dat het bedrijf van [appellant] zal worden verplaatst naar een perceel aan de [locatie]. Hoewel daarover in deze overeenkomst niets is overeengekomen wenst ook [een van de andere appellanten] zijn bedrijf te verplaatsen naar de [locatie]. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de overplaatsing van beide bedrijven nog niet plaatsgevonden omdat de vereiste bouwvergunning niet is verleend. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het gemeentebestuur verklaard dat de bouwvergunning zal worden verleend indien uit onderzoek zal blijken dat de categorieaanduiding en de geluidhinder van het bedrijf van [een van de andere appellanten] geen obstakels vormen voor een groter bouwoppervlak dan in de overeenkomst is overeengekomen. In de overeenkomst is geen onvoorwaardelijke datum opgenomen waarop de bedrijven moeten zijn verplaatst. De Afdeling stelt vast dat indien de gronden niet op minnelijke wijze worden verkregen, geen titel aanwezig is op grond waarvan het gemeentebestuur over kan gaan tot onteigening.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de plandelen in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten worden geacht. De goedkeuring van de plandelen is derhalve niet rechtmatig. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover dat ziet op de plandelen met de bestemming “Wonen (WO)” zoals nader aangegeven op bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat door het treffen van eenvoudige maatregelen de afstand die moet worden aangehouden tot de voorziene woningen in verband met geluidhinder meer bedraagt dan 100 meter.

2.4.3. Wat betreft de bezwaren van appellanten met betrekking tot de [locatie] stelt de Afdeling vast dat deze weg ten westen van de plangebieden ligt. In het bestemmingsplan is aan deze gronden de bestemming “Verkeersdoeleinden (V)” toegekend.

De Afdeling deelt de vrees niet, dat een aantal instellingen en bedrijven moeilijker te bereiken zal zijn. Zij neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat met behulp van wegwijzers geen goede bereikbaarheid kan worden verkregen. De plannen maken dit niet onmogelijk. Evenmin staan de plannen in de weg aan het treffen van voorzieningen om de padden tijdens de trek over de [locatie] te beschermen.

In zowel Uitwerkingsplan I als II komen drie woonstraten uit op de [locatie]. Blijkens de plantoelichtingen zal de [locatie] voor het gemotoriseerd verkeer als één van de verbindingsstraten tussen beide uitwerkingsplannen fungeren. Onbestreden is dat moet worden voorkomen dat de [locatie] een sluiproute wordt. Bij de voorbereiding van de plannen is door Grontmij Verkeer & Infrastructuur een onderzoek uitgevoerd naar de ontsluiting van de [locatie] en de plangebieden. Blijkens dit onderzoek zal een aantal maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat de [locatie] een sluiproute wordt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders verklaard dat naar aanleiding van de reacties die zijn ingediend tegen het concept-verkeersbesluit, dat in december 2002 ter visie heeft gelegen, nieuw onderzoek wordt gedaan naar de meest gewenste maatregelen. De Afdeling is, gelet hierop en in aanmerking genomen dat het om een bestaande weg gaat, van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen nader te bezien of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn en kunnen worden uitgevoerd.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit moet worden geacht te zijn genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemming “Verblijfsgebied (VG)” zoals nader aangegeven op bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten.

2.4.4. Ten aanzien van het baggerdepot dat in de gemeente Rijswijk staat, is de Afdeling, gelet op de stukken, niet gebleken dat behoeft te worden gevreesd voor een onaanvaardbare overlast.

Voorzover appellanten vrezen dat door de ophoging van de gronden en de bouw van de woningen wateroverlast zal ontstaan, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de getroffen voorzieningen en de nog te treffen maatregelen niet toereikend zijn.

2.4.5. Ten aanzien van de vrees dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen als “Verblijfsgebied (VG)” en “Verkeersdoeleinden (V)” onder meer bestemd voor parkeerplaatsen. Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan, dient het aantal parkeerplaatsen voor niet-gestapelde woningen 1,3 en voor gestapelde woningen 1,15 te bedragen. Blijkens de plantoelichtingen zijn deze aantallen overgenomen waarbij een garage +oprit als 1,0 parkeerplaats, een garage zonder oprit als 0,5 parkeerplaats, een carport als 0,85 parkeerplaats en een tuinparkeerplaats als 0,5 parkeerplaats, telt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding deze parkeernormen onredelijk te achten. Appellanten hebben niet aangetoond dat de plannen desondanks onvoldoende parkeerplaatsen mogelijk maken.

Gelet hierop deelt de Afdeling de vrees van appellanten niet.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefden te worden geacht dan wel anderszins in strijd zijn met het recht. De goedkeuring van deze plandelen is derhalve rechtmatig.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van rechtswege omtrent de goedkeuringen van de Uitwerkingsplannen I, Ia en II, voorzover het betreft

a. de plandelen met de bestemmingen “Wonen (WO)” zoals nader aangegeven op bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten;

b. de plandelen met de bestemming “Verblijfsgebied (VG)” zoals nader aangegeven op bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten;

III. onthoudt goedkeuring aan plandelen genoemd onder II.a.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dat betrekking heeft op de plandelen genoemd onder II.a.;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

12-290.