Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206606/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 1999 heeft de gemeenteraad van Huissen (thans Lingewaard), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 1999, het bestemmingsplan "Stuitbos" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206606/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 1999 heeft de gemeenteraad van Huissen (thans Lingewaard), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 1999, het bestemmingsplan "Stuitbos" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 oktober 1999, no. RE1999.36572,

beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 11 mei 2001, no. 199904004/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij besluit van 24 september 2002, no. RE2001.44472, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 maart 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Lingewaard, vertegenwoordigd door drs. M.P. Zee, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet ondermeer in de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” op een gedeelte van het agrarisch bouwperceel, plaatselijk bekend [locatie]. Dit plandeel maakt onderdeel uit van de in het aangrenzende bestemmingsplan “Bergerden” opgenomen ontsluitingsweg. Met deze weg wordt de ontsluiting van een glastuinbouwgebied beoogd dat grenst aan het onderhavige plangebied.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan opnieuw goedgekeurd.

2.4. Bij uitspraak van 11 mei 2001, no. 199904004/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder in zijn besluit omtrent goedkeuring van 26 oktober 1999 ten onrechte is uitgegaan van een doodlopende weg over het perceel van appellant, terwijl de aard en de functie van de beoogde weg (doodlopend en ter ontsluiting van enkele bedrijven of doorgaand en ter ontsluiting van het gehele glastuinbouwgebied) ten tijde van het nemen van dit besluit niet duidelijk waren. Het besluit van verweerder van 26 oktober 1999, voor zover dit artikel 8 van de voorschriften en de daarbij behorende aanduiding op de plankaart: de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” betrof, heeft de Afdeling in zoverre in strijd geoordeeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Verweerder heeft naar aanleiding van de in overweging 2.4. genoemde uitspraak opnieuw goedkeuring verleend aan artikel 8 van de voorschriften en aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)”. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de aard en de functie van de in het bestemmingsplan “Bergerden” opgenomen ontsluitingsweg nu voldoende duidelijk zijn. Verder zal deze weg volgens verweerder op een adequate wijze in voornoemd bestemmingsplan worden bestemd. Voorts heeft verweerder overwogen dat het belang van de beoogde ontsluitingsweg zwaarder dient te wegen dan het belang van appellant bij handhaving van de huidige situatie, waarbij de (voormalige dienst)woning en enige (agrarische) bedrijfsgebouwen op zijn perceel van elkaar gescheiden zijn door een groenstrook.

2.6. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte het planvoorschrift en het daarbij behorende plandeel opnieuw heeft goedgekeurd.

Hij voert hiertoe aan dat het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” zijn perceel doorsnijdt. Hierdoor wordt de ruimtelijke eenheid van het perceel doorbroken en zal de totale oppervlakte ervan kleiner worden. Verder vreest appellant dat de gebruiksmogelijkheden en het woongenot van zijn perceel zullen verminderen door de aanleg van de beoogde weg dwars over zijn perceel. Hij betoogt voorts dat de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in strijd is met de eerdere besluitvorming van verweerder inzake het aangrenzende bestemmingsplan “Bergerden”. Appellant betwijfelt verder of het bestemmingsplan “Bergerden”, althans de ontsluitingsweg van het in dat plan voorziene glastuinbouwgebied, waarop het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in het voorliggende plan zou moeten aansluiten, verwezenlijkt zal worden. Hij betoogt tot slot dat het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in het voorliggende plan en in het bestemmingsplan “Bergerden” niet goed op elkaar aansluiten. Blijkens de plankaarten van de beide plannen is er een verschil van 10 meter en anders dan in het bestemmingsplan “Bergerden” ontbreekt in het voorliggende plan een dwarsprofiel van de weg over het perceel van appellant.

2.7. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, stelt de Afdeling vast dat de ontsluitingsweg in het op 19 september 2002 vastgestelde bestemmingsplan “Bergerden” is bestemd als een doodlopende weg ten behoeve van de ontsluiting van enkele glastuinbouwbedrijven in dat plangebied. Hiermee zijn de aard en de functie van de ontsluitingsweg in het aangrenzende plangebied duidelijk geworden en daarmee ook de aard en de functie van de weg in het voorliggende plan.

De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het belang van de beoogde ontsluitingsweg in dit geval dient te prevaleren boven het belang van appellant bij handhaving van de huidige situatie van zijn perceel. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant de beoogde weg over zijn perceel moet oversteken om van zijn (voormalige dienst)woning naar zijn (agrarische) bedrijfsgebouwen te gaan en omgekeerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de beoogde weg de gebouwen op zijn perceel onderling niet meer goed bereikbaar zijn. Tevens is in aanmerking genomen dat de weg over het perceel van appellant doodlopend zal zijn en alleen voorziet in de ontsluiting van enkele glastuinbouwbedrijven in het aangrenzende plangebied. De Afdeling acht het aannemelijk, gezien de aard en de functie van de weg, dat het aantal verkeersbewegingen op deze weg gering zal zijn. Verder zal eventueel sluipverkeer van en naar de beoogde woonwijk ten zuiden van de [locatie] worden voorkomen door de beoogde weg als een doodlopende weg uit te voeren. Voor zover appellant ter zitting heeft betoogd dat het bestemmingsplan “Bergerden” reeds voorziet in een ontsluiting van de desbetreffende glastuinbouwbedrijven via de verlengde [locatie], wijst de Afdeling erop dat ter zitting is gebleken dat dit een smalle weg betreft die niet geschikt is voor vrachtverkeer. De Afdeling merkt overigens op dat in de huidige situatie de (voormalige dienst)woning en enige (agrarische) bedrijfsgebouwen al fysiek van elkaar gescheiden zijn door een groenstrook.

2.7.1. Wat de vrees van appellant betreft voor vermindering van de gebruiksmogelijkheden en het woongenot van zijn perceel, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit zodanig zal zijn dat verweerder hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

De Afdeling deelt niet het standpunt van appellant dat de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in strijd is met de eerdere besluitvorming van verweerder inzake het aangrenzende bestemmingsplan “Bergerden 1996”. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder destijds een ruimtelijke beoordeling heeft gegeven van het perceel van appellant. Deze beoordeling heeft ertoe geleid dat nu het totale perceel van appellant in het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen. Dat een verkeersbestemming op het perceel van appellant is voorzien doet aan deze ruimtelijke beoordeling niet af.

2.7.2. Voor zover appellant betwijfelt of de in het bestemmingsplan “Bergerden” opgenomen ontsluitingsweg, waarop het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in het voorliggende plan zou moeten aansluiten, verwezenlijkt zal worden, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is naar voren gekomen dat het college van gedeputeerde staten op 15 april 2003 het bestemmingsplan “Bergerden” gedeeltelijk heeft goedgekeurd. De gedeeltelijke onthouding van goedkeuring heeft geen betrekking op de in het bestemmingsplan “Bergerden” opgenomen ontsluitingsweg. In verband hiermee is de Afdeling van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor de veronderstelling, dat de ontsluitingsweg in het aangrenzende plan niet zal worden gerealiseerd.

2.7.3. Voor zover appellant van mening is dat het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in het voorliggende plan en in het bestemmingsplan “Bergerden” niet goed op elkaar aansluiten, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de profielenkaart van het bestemmingsplan “Bergerden” heeft de ontsluitingsweg een totale breedte van 30,6 meter. Hoewel in het voorliggende plan een profielenkaart ontbreekt, heeft het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” volgens de plankaart een breedte van 20 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een verschil van ongeveer 10 meter bestaat ten aanzien van de breedte van de desbetreffende plandelen in de beide plannen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling echter gebleken dat geen noodzaak bestaat het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden (nader uit te werken)” in het voorliggende plan te verbreden naar 30,6 meter, om de ontsluitingsweg in het ene plan en in het andere plan goed op elkaar te laten aansluiten.

2.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

177-427.