Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206533/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 12 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: appellant) de over de tijdvakken van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 en van 1 juli 1997 tot

1 juli 1998 krachtens de Wet individuele huursubsidie respectievelijk de Huursubsidiewet toegekende bijdragen nader vastgesteld op nihil en de over genoemde tijdvakken aan subsidie verstrekte bedragen van ƒ 3.180,00/

€ 1.443,02, respectievelijk ƒ 4.524,00/€ 2.052,90 van [verzoeker] teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206533/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 1 november 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats] [land]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 12 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: appellant) de over de tijdvakken van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 en van 1 juli 1997 tot

1 juli 1998 krachtens de Wet individuele huursubsidie respectievelijk de Huursubsidiewet toegekende bijdragen nader vastgesteld op nihil en de over genoemde tijdvakken aan subsidie verstrekte bedragen van ƒ 3.180,00/

€ 1.443,02, respectievelijk ƒ 4.524,00/€ 2.052,90 van [verzoeker] teruggevorderd.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 augustus 2002 heeft appellant de over de tijdvakken van

1 juli 1996 tot 1 juli 1997 en van 1 juli 1997 tot 1 juli 1998 toegekende bijdragen nader vastgesteld op ƒ 2.940,00/€ 1.334,11 en ƒ 2.508,00/

€ 1.138,08 en de over genoemde tijdvakken aan subsidie verstrekte bedragen van ƒ 240,00/€ 108,91, respectievelijk ƒ 2.016,00/€ 914,82 van [verzoeker] teruggevorderd.

Bij uitspraak van 1 november 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het beroep van [verzoeker] voorzover dit is gericht tegen het besluit van 6 november 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het beroep voorzover dit geacht is te zijn gericht tegen het besluit van 28 augustus 2002 gegrond verklaard, in zoverre het is gericht op de hernieuwde vaststelling en terugvordering met betrekking tot het subsidietijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997, dat besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 mei 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van Amerongen, ambtenaar ten departemente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 28 augustus 2002 heeft appellant, onder gelijktijdige intrekking van zijn besluiten van 12 april 2000, de aanspraak op huursubsidie over de tijdvakken van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 en van 1 juli 1997 tot 1 juli 1998 aan de hand van nieuwe gegevens over het belastbare inkomen van [verzoeker] herberekend en vastgesteld.

2.2. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de gevolgen van het door de rechtbank betrekken van het besluit van 28 augustus 2002 op grond van artikel 6:19 van de Awb bij het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 6 november 2001. Volgens appellant heeft de rechtbank de gegrondverklaring van het beroep tegen en de vernietiging van het besluit van 6 november 2001 ten onrechte gebaseerd op feiten die ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6:19 van de Awb is voldaan, omdat het bij het besluit van 28 augustus 2002 immers gaat om de herhaalde uitoefening van dezelfde bevoegdheid, door hetzelfde orgaan en op basis van dezelfde feitelijke grondslag, waarbij is gebleven binnen de grondslag en reikwijdte van de eerste besluitvorming.

2.2.2. De omstandigheid dat appellant zijn besluit van 28 augustus 2002 heeft gegoten in de vorm van een primair besluit, zodat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank aan [verzoeker] een rechtsbescherminginstantie wordt onthouden, kan hieraan niet afdoen. Aan toepassing van artikel 6:19 van de Awb is immers inherent dat somtijds een bezwaar- of beroepsinstantie wordt overgeslagen. Overigens heeft appellant, door in het besluit van 28 augustus 2002 uit te gaan van nieuwe gegevens van de belastingdienst, juist gedaan hetgeen waarop [verzoeker]. in de bezwaarfase steeds heeft aangedrongen. In dat licht bezien valt dan ook niet in te zien welk belang [verzoeker] onder die omstandigheden nog zou kunnen hebben bij een nieuwe behandeling in bezwaar.

2.2.3. Terwijl de rechtbank voorts terecht heeft overwogen, dat het besluit van 28 augustus 2002, waarin de besluiten van 12 april 2000 zijn ingetrokken, de grond ontneemt aan het besluit van 6 november 2001 en dus aan het procesbelang bij het hangende beroep daartegen, heeft zij ten onrechte in een mogelijke vordering tot schadevergoeding een voldoende belang aanwezig geacht voor vernietiging van dat besluit. Zij heeft miskend, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2002, inzake No. 200106139/1 (AB 2002, 349) dat daartoe vereist is dat [verzoeker] tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het besluit van 6 november 2001. Dergelijke schade is door hem niet gesteld.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 6 november 2001 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank, in zoverre vorenbedoeld besluit is vernietigd, wordt vernietigd. Alsnog doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 november 2001 niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 1 november 2002, SBR 01/2372, in zoverre daarbij het beroep van [verzoeker] voorzover gericht tegen het besluit van 6 november 2001 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd;

III. verklaart het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 6 november 2001 niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

195-209.