Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206454/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor grondverzetactiviteiten alsmede voor de opslag en verkoop van zand, grind, cement en plantaarde op het perceel [locatie] te Horst aan de Maas, kadastraal bekend gemeente Horst, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206454/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor grondverzetactiviteiten alsmede voor de opslag en verkoop van zand, grind, cement en plantaarde op het perceel [locatie] te Horst aan de Maas, kadastraal bekend gemeente Horst, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door W.J.G.M. Gossens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat het akoestisch rapport ontoereikend is. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Appellant heeft in zijn beroepschrift de door hem tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen ingelast. Ter zitting heeft hij deze gronden beperkt tot de vrees voor geluidhinder van de loader en de vrees dat de vergunning niet zal worden nageleefd.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant vreest geluidhinder als gevolg van het klapperen met de laadklep van de loader en de omstandigheid dat er op de erfafscheiding tussen zijn woning en de inrichting geen geluidscherm is geplaatst.

De Afdeling stelt voorop dat appellant zich niet heeft gericht tegen de in de voorschriften opgelegde geluidgrenswaarden. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat appellant deze toereikend acht ter bescherming van het milieu. Het gebruik van de loader is aangevraagd en de geluidbelasting daarvan is in aanmerking genomen bij de berekeningen in het akoestisch rapport. Niet is gebleken dat dit rapport in dit opzicht onjuist is. Voorts heeft verweerder in voorschrift E.5 bepaald dat binnen drie maanden na het van kracht worden van de beschikking geluidreducerende maatregelen, zoals in de aanvraag vermeld of vergelijkbare bronmaatregelen dienen te zijn aangebracht aan de loader.

Uit het akoestisch rapport leidt de Afdeling voorts af dat de activiteiten van de inrichting bij de woning van appellant niet leiden tot overschrijding van de in de voorschriften E.1 en E.2 opgelegde geluidgrenswaarden. Ook ten aanzien van dit punt is niet gebleken dat het akoestisch rapport onjuist is. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plaatsen van een geluidscherm op de erfafscheiding tussen de woning van appellant en de inrichting redelijkerwijs niet van vergunninghoudster kan worden gevergd.

Het beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.

2.5. Voorzover appellant vreest dat vergunninghoudster zal handelen in strijd met de vergunning dan wel in strijd met de daaraan verbonden voorschriften betreft het beroepsgronden die geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kunnen slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Overdijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

320-446.