Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206447/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206447/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 28 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar [appellant] bijgestaan door mr. A. Kroondijk, advocaat te Leeuwarden,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.D. van der Ploeg, ambtenaar van de gemeente, en G. Hooring, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het houden van 15 paarden, inclusief veulens tot 6 maanden.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep wo rden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

De familie [naam] heeft geen bedenkingen en de overige appellanten hebben de gronden inzake de voorschriften 1.5, 1.11 en 3.11 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de familie [naam] en de overige appellanten voorzover het de voorschriften 1.5, 1.11 en 3.11 betreft redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten hebben betoogd dat de inrichting waarvoor vergunning is verleend geen bestaansrecht heeft.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel.

2.5. Appellanten vrezen stofhinder van de buitenbak.

Ter voorkoming van stofhinder van de buitenbak heeft verweerder voorschrift 1.8 aan de vergunning verbonden. Ingevolge dit voorschrift dient in de buitenbak leemzand te worden toegepast. Mocht desondanks nog stuiverij optreden dan dient het zand regelmatig te worden besproeid met water. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van onaanvaardbare stofhinder van de buitenbak.

2.6. Appellanten vrezen stankhinder van de mestplaat.

Ter voorkoming van stankhinder van de mestplaat heeft verweerder voorschrift 1.31 aan de vergunning verbonden. Ingevolge dit voorschrift moet de afstand van de mestplaat tot een woning van derden of een gevoelig object ten minste 50 meter bedragen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder van de mestplaat, zodat geen onaanvaardbare situatie ontstaat.

2.7. Appellanten hebben aangevoerd dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd. In dit verband hebben zij betoogd dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is, onder meer omdat in het onderzoek niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfsvoering en geen rekening is gehouden met gevelreflectie en het geluid veroorzaakt door de paarden en het inpandige gebruik van de bobcat.

2.7.1. Ingevolge voorschrift 2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelings-niveau (La,LT), geproduceerd door de inrichting, gemeten en beoordeeld volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999", ter plaatse van de vergunningpunten (zijnde de immissiepunten 1 tot en met 10 conform het akoestisch onderzoek) niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 2.2 mag het maximale geluidniveau (Lmax), geproduceerd door de inrichting, gemeten en beoordeeld volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999", ter plaatse van de vergunningpunten (zijnde de immissiepunten 1 tot en met 10 conform het akoestisch onderzoek) niet meer bedragen dan 65, 45 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat voor de representativiteit van de bedrijfsvoering de aanvraag bepalend is. In het akoestisch onderzoek is wat betreft het aantal aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens en personenauto's, het gebruik van de bobcat en de tractor, en de bedrijfstijden aangesloten bij de aanvraag. Gelet hierop is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een representatieve bedrijfsvoering.

Voorzover appellanten hebben gesteld dat blijkens het ondernemingsplan voor de inrichting vergunninghouder voornemens is paarden af te richten en te beleren, overweegt de Afdeling dat dit plan blijkens de stukken geen deel uitmaakt van de aanvraag en derhalve niet relevant is voor de representativiteit van de bedrijfsvoering. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van handhavingsmiddelen, indien de bedrijfsvoering afwijkt van de aanvraag of de vergunning anderszins niet wordt nageleefd.

De van de inrichting te duchten geluidhinder is in het akoestisch onderzoek berekend overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. In overeenstemming hiermee is de geluidbelasting gedurende de dagperiode op goede gronden op 1,5 meter hoogte beoordeeld op basis van het invallende geluid waarbij geen rekening is gehouden met gevelreflectie. Het geluid van de verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting is verder maatgevend geacht voor de geluidimmissie van de inrichting. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geluid veroorzaakt door de paarden en het inpandige gebruik van de bobcat zodanig is dat hiermee als relevante geluidbronnen in het akoestisch onderzoek rekening had moeten worden gehouden.

Verder kan op basis van hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen niet worden gesteld dat de resultaten van het akoestisch onderzoek om andere redenen onjuist zijn en dat verweerder dit onderzoek niet bij zijn besluitvorming had mogen betrekken. Nu uit het akoestisch onderzoek blijkt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan, moet worden geconcludeerd dat geen grond aanwezig is voor het oordeel dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd.

2.8. Appellanten hebben aangevoerd dat voorschrift 2.3 onduidelijk is.

Ingevolge voorschrift 2.3 moet binnen drie maanden na vergunningverlening aan het bevoegd gezag een akoestisch rapport worden overgelegd, waarin wordt aangetoond dat aan de geluidvoorschriften zal worden voldaan. De Afdeling kan het betoog van appellanten niet volgen. Voorschrift 2.3 betreft een voorschrift ter controle of na het in werking zijn van de inrichting aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan en is voor dat doel voldoende duidelijk.

2.9. Appellanten hebben aangevoerd dat voorschrift 2.4 in strijd met de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek is.

Ingevolge voorschrift 2.4 mag de bobcat tussen 6.00 en 7.00 uur niet in werking zijn. De Afdeling is gelet op de gestelde geluidgrenswaarden gedurende de nachtperiode van oordeel dat, daargelaten de vraag of voorschrift 2.4 in strijd met de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek is, verweerder in redelijkheid voorschrift 2.4 aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

2.10. Appellanten vrezen geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting.

Verweerder heeft de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld aan de hand van de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” van 29 februari 1996. In deze circulaire, voorzover hier van belang, is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) opgenomen bij woningen van derden.

Het verkeer van en naar de inrichting rijdt over een toegangsweg die aansluit op de Wommelserweg. Anders dan appellanten hebben gesteld maakt deze toegangsweg blijkens de stukken geen deel uit van de inrichting. Volgens het akoestisch onderzoek van Nicolai Lourens en Tabak van 9 augustus 2002 (hierna: het akoestisch onderzoek) kan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) worden voldaan voor wat betreft de woningen die aan weerszijden van de toegangsweg zijn gelegen, voorzover het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van die woningen niet in het heersende verkeersbeeld is opgenomen als gevolg waarvan sprake is van indirecte geluidhinder die aan de inrichting kan worden toegerekend. Gelet hierop is het aannemelijk dat eveneens aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) kan worden voldaan voor wat betreft de woningen die niet aan de toegangsweg zijn gelegen. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting.

2.11. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dit is ingediend door de familie [naam] en voorzover het de gronden inzake de voorschriften 1.5, 1.11 en 3.11 betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

159-399.