Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200206445/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan “Uitbreiding Woongebied Ruitersbos e.o.” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206445/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2A], {appellant sub 2B], [appellant sub 2C],

allen wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan “Uitbreiding Woongebied Ruitersbos e.o.” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 oktober 2002, nummer 825553, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben, appellant sub 1 bij brief van 5 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 23 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 maart 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2003, waar appellant sub 1, in persoon, en appellanten sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Breda, vertegenwoordigd door mr. P. Ruis en J.M. Vollaard, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (tijdig) een zienswijze in te brengen.

2.1.1. De beroepsgrond van [appellant sub 1] omtrent de aan te houden afstand tussen zijn woning en de in het plan dichtstbijzijnde voorziene woonwagens steunt niet op een tijdig bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig ter zake een zienswijze in te brengen.

De beroepsgrond van appellant omtrent de groenstrook rondom het woonwagencentrum steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking. Het beroep is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een bedenking in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 1] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.1.2. Het beroep van [appellant sub 2B] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Het beroep heeft geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Het beroep van [appellant sub 2B] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.1.3. De beroepsgrond van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C] omtrent het niet voorzien in het plan van uitbreiding van het aantal standplaatsen berust niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op een bij vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze ter zake in te brengen. Het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2 C] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch regeling voor de bouw van woningen, de aanleg van hockeyvelden en aanpassingen van een woonwagencentrum.

2.4. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C] voeren aan dat zij in strijd met een daartoe met de gemeente gemaakte afspraak niet zijn betrokken bij het vooroverleg.

2.4.1. Het is de Afdeling niet gebleken dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat in de gevolgde procedure in strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht is gehandeld. Appellanten hebben verder zienswijzen tegen het ontwerpplan ingebracht. Niet is gebleken dat de gemeenteraad de tegen het ontwerpplan ingebrachte zienswijzen niet in zijn besluitvorming heeft betrokken.

2.5. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C], die wonen op het woonwagencentrum op standplaatsen […] respectievelijk […], betogen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woonwagenstandplaatsen”. Appellanten voeren daartoe aan dat door de verplaatsing van hun woonwagens hun belangen onevenredig worden aangetast. Zij vrezen voor schade aan hun woonwagens in verband met verplaatsing daarvan. Zij stellen tevens dat de standplaatsen te klein zijn. Verder vrezen appellanten voor aantasting van hun uitzicht en voor de verminderde bereikbaarheid van de brandweer.

2.5.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande omvang van de standplaatsen blijft gehandhaafd.

Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit in zoverre goedgekeurd. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.5.2. Bij Koninklijk Besluit van 28 oktober 1987, no. 189, is aan het door de gemeenteraad van Breda bij besluit van 30 september 1982 vastgestelde bestemmingsplan “Woonwagenstandplaatsen Ruitersboslaan (gedeeltelijke herziening 1981/1 van het bestemmingsplan Ruitersbos 1972)“ grotendeels goedkeuring onthouden. Hierbij werd, voor zover hier van belang, overwogen dat, een afstand van 75 meter tussen het noordelijk woonwagenterrein en de woningen aan de Montenslaan dient te worden aangehouden. Binnen deze afstand staan de woonwagenstandplaatsen […], […] en […].

Bij besluit van 28 juni 1990, heeft de gemeenteraad ter voldoening aan artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het bestemmingsplan “Woonwagenstandplaatsen Ruitersboslaan” vastgesteld. De voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur heeft bij uitspraak van 10 oktober 1991, no. G01.91.0041, alsnog goedkeuring onthouden aan dit plan omdat daarin geen gevolg is gegeven aan de door de Kroon gestelde afstandseis van 75 meter.

Bij besluit van 23 december 1993 heeft de gemeenteraad ter voldoening aan artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan “Woonwagenstandplaatsen Ruiterboslaan 1993” vastgesteld. Aan artikel 8 van de planvoorschriften, de overgangsbepalingen, is goedkeuring onthouden door verweerder in verband met de afstandseis van 75 meter. Dit houdt in dat het gebruik van woonwagens op genoemde standplaatsen niet onder het overgangsrecht zijn gebracht. Bij uitspraak van de Afdeling van 20 februari 1996, no. E01.94.0357, is het besluit omtrent de goedkeuring van dit bestemmingsplan rechtens onaantastbaar geworden.

Bij besluit van 23 november 1995 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Verspreide Woonwagenstandplaatsen” vastgesteld. Het besluit omtrent de goedkeuring van dit bestemmingsplan is bij uitspraak van de Afdeling van 26 mei 1998, nr. E01.96.0379, rechtens onaantastbaar geworden. Het voorliggend bestemmingplan vervangt onder meer dit bestemmingsplan en voorziet gelet op de ligging van het bestemmingsvlak “Woonwagenstandplaatsen” in de verplaatsing van de standplaatsen 49a, 51 en 51a in zuidwestelijke richting.

2.5.3 Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de genoemde afstandseis van 75 meter tot de Montenslaan, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde standplaatsen moeten worden verplaatst. Verweerder behoefde daarbij geen overwegende betekenis toe te kennen aan de mogelijke schade aan de woonwagens bij verplaatsing.

2.5.4 De huidige beschikbare standplaatsen hebben een omvang van 200 m2. Verder blijkt uit de stukken dat [appellant sub 2A] gronden met een oppervlakte van 300 m2 als tuin bijhuurt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder 1, mogen op dit centrum maximaal negen woonwagens worden geplaatst of woningen worden gebouwd. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder 3, sub b, van de planvoorschriften mag de oppervlakte van een standplaats niet minder dan 200 m2 bedragen. Gelet op de oppervlakte van de plandelen met de bestemming “Woonwagenstandplaatsen” en het maximale aantal toegestane plaatsen kunnen de standplaatsen een oppervlakte van minstens 400 m2 hebben. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat hiermee is voorzien in standplaatsen met voldoende omvang. Voor zover appellanten wijzen op de omstandigheid dat op de noordelijke locatie wel een standplaats aanwezig is met een veel grotere omvang, overweegt de Afdeling dat het plan enkel voorziet in een minimale oppervlakte van 200 m2 en niet in een vaste verkaveling. Eventuele inrichtingsplannen zijn in deze procedure niet aan de orde.

Blijkens de plankaart is aan gronden tussen de noordelijke locatie en de zuidelijke locatie de bestemming “Verkeersdoeleinden” toegekend met een breedte van ongeveer 5 meter ter ontsluiting van de standplaatsen. Tevens is voorzien in een inham bij het zuidelijke bestemmingsvlak “Woonwagenstandplaatsen” met eveneens de bestemming “Verkeersdoeleinden”. Verder volgt uit de doeleindenomschrijving van artikel 10 van de planvoorschriften met betrekking tot de bestemming “Verkeersdoeleinden” dat op deze gronden geen garages mogen worden gebouwd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder er van mogen uitgaan dat de ontsluiting voldoende ruimte biedt voor een goede bereikbaarheid van de zuidelijke locatie voor de brandweer.

Tussen de noordelijke en zuidelijke locatie is een afstand van ongeveer 5 meter. Verder is gebleken dat het plan er niet aan in de weg staat om de woonwagens op een afstand van ongeveer 20 meter van de woonwagens die ten noorden van het woonwagencentrum staan te situeren. Gelet hierop heeft verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van appellanten niet in ernstige mate zal worden belemmerd.

Gelet op het voorstaande is de Afdeling van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder aan de belangen van appellanten in redelijkheid een groter gewicht had moeten toekennen dan aan het belang bij uitvoering van het plan.

2.5.5. Voorzover appellanten betogen dat er alternatieven bestaan voor de omvang en ligging van de standplaatsen die niet of onvoldoende in aanmerking zijn genomen overweegt de Afdeling dat het bestaan hiervan op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt had moet stellen dat deze situatie zich in dit geval voordoet.

2.6. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor zover door appellanten bestreden niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen is strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] geheel en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C], voorzover dit betreft het maximaal aantal toegestane standplaatsen, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

270-387.