Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AI0175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
200200248/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 april 2001, het bestemmingsplan "Wooneilanden Houthavens" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 november 2001, kenmerk

2001-15905, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 16 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 50
Milieurecht Totaal 2003/2152

Uitspraak

200200248/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Cargill B.V.”, gevestigd te Amsterdam, en andere vennootschappen (verder te noemen: Cargill B.V. en andere),

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 april 2001, het bestemmingsplan "Wooneilanden Houthavens" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 november 2001, kenmerk

2001-15905, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 16 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, beroep ingesteld.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft verweerder geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[appellant sub 2] en Cargill B.V. en andere. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam,[gemachtigden], appellant sub 2 in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn namens de gemeenteraad A.A. van Dongen en

mr. R. de Meyere, ambtenaren van de gemeente, bijgestaan door

mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Spaarndammerdijk, de Tasmanstraat en in het oosten door een lijn in het water van het IJ. Het plan maakt onder meer de bouw van tenminste 950 woningen op eilanden mogelijk. Daarnaast voorziet het plan in ongeveer 18.000 m² vloeroppervlak voor publieks-, sociaal-culturele of onderwijsfuncties en bedrijvigheid in de vorm van kleinschalige bedrijfsunits en bedrijfsverzamelgebouwen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit voorziet in de bouw van woningen in het Houthavengebied.

De bezwaren van Cargill B.V. en andere komen er in hoofdzaak op neer dat woningbouw ter plaatse zich niet verdraagt met de aanwezigheid van industrie in het westelijke havengebied. Zij zijn van mening dat vanwege stof-, geur- en geluidoverlast geen goed woonklimaat kan worden gegarandeerd. Voorts vrezen zij dat zij door woningbouw in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt.

[appellant sub 2] is van mening dat in verband met de te verwachten economische ontwikkelingen van woningbouw in het Houthavengebied moet worden afgezien.

2.4. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft de desbetreffende planonderdelen goedgekeurd. Volgens verweerder worden de belangen van de in het westelijke havengebied gevestigde industrie door woningbouw in de Houthavens niet geschaad. Daarnaast is hij van mening dat het bestemmingsplan voldoende garanties biedt voor het tot stand brengen van een uit oogpunt van stof-, geur- en geluidhinder aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.5. De Afdeling stelt allereerst vast dat in het Structuurplan Amsterdam Open Stad 1996 en het Streekplan Amsterdam Noordzeekanaalgebied de Houthavens als nieuwe woningbouwlocatie worden aangemerkt. Cargill B.V. en andere kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun standpunt dat verweerder in zijn bestreden besluit ter onderbouwing van de goedkeuring van de plandelen die woningbouw ter plaatse mogelijk maken ten onrechte naar deze plannen heeft verwezen. Voorts sluit de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra woningbouw in het Houthavengebied niet uit.

Voorzover Cargill B.V. en andere naar voren hebben gebracht dat in het streekplan, het structuurplan en diverse beleidsnota’s wordt gewezen op het belang van het westelijke havengebied voor de vestiging van grootschalige, zeer milieubelastende bedrijven, stelt de Afdeling vast dat met het voorliggende plan de functie en de bestemming van het westelijke havengebied niet worden gewijzigd. Derhalve kan niet worden gezegd dat het bestemmingsplan in zoverre met deze plannen en beleidsnota’s in strijd is.

2.6. Uit de plantoelichting blijkt dat de bij het stedenbouwkundig programma van eisen behorende grondexploitatiebegroting voor de woningbouwplannen, inclusief het waterprogramma en de ondertunneling van het doorgaande verkeer in de Houthavens, sluit met een tekort. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad verklaard dat het tekort ongeveer 30 miljoen euro bedraagt en grotendeels zal worden gedekt door bijdragen uit het Vereveningsfonds.

Nu niet is gebleken dat de reserves van dit fonds ontoereikend zijn om dit tekort te dekken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd, zoals appellanten hebben aangevoerd.

2.7. Ten aanzien van het bezwaar van Cargill B.V. en andere dat het plan geen inzicht geeft in het exacte aantal te bouwen woningen, overweegt de Afdeling dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening hiertoe niet verplicht. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Door appellanten zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat een dergelijke bestemmingsregeling in dit geval uit een oogpunt van rechtszekerheid of anderszins niet aanvaardbaar is.

2.8. Ter onderbouwing van hun bezwaren inzake stofhinder, hebben Cargill B.V. en andere verwezen naar het door Ingenieurs- en Architectenbureau Haskoning in september 2001 uitgebrachte rapport “Cumulatieve Milieubelasting Deelgebied Houthavens te Amsterdam”. Ten aanzien van de stofhinder wordt in dit rapport geconcludeerd dat in het deelgebied Houthavens de jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof, zoals neergelegd in het Besluit luchtkwaliteit, zal worden overschreden. Voorts wordt geconcludeerd dat ernstige hinder zal optreden als gevolg van de emissie van grof stof.

Verweerder heeft zich in zijn bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen ernstige stofhinder zal optreden als gevolg van stofbronnen in het westelijk havengebied. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het door Project Research Amsterdam B.V. opgestelde rapport “Stofonderzoek Houthavens Amsterdam, Actualisatie 2000” van oktober 2000, dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Dit rapport betreft een actualisatie van het in 1995 door de Technische Universiteit van Eindhoven uitgebrachte onderzoeksrapport “Stof in de Houthavens”. In het kader van de actualisatie is laatstgenoemd rapport gecontroleerd aan de hand van nieuwe meetgegevens die sinds 1995 zijn verzameld. Uit de conclusies van de actualisatie komt naar voren dat de bedrijven in het westelijk havengebied weinig bijdragen aan de concentratie fijn stof in het gebied van de Houthavens en dat deze concentratie niet hoger is dan elders in Amsterdam. Ten aanzien van de emissie van grof stof kon slechts van één bedrijf worden vastgesteld dat de emissie in 2000 was afgenomen ten opzichte van 1995. Verweerder heeft in het bestreden besluit naar voren gebracht dat uit onderzoek van de bedrijven zelf is gebleken dat het grof stof, afkomstig van de bedrijven uit het westelijk havengebied, neerdaalt in de onmiddellijke omgeving van die bedrijven.

Voorzover Cargill B.V. en andere stellen dat het rapport “Stofonderzoek Houthavens Amsterdam, Actualisatie 2000” niet volledig is en is gebaseerd op verouderde gegevens, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de totstandkoming en de inhoud van dit rapport zodanige gebreken kleven dat verweerder dit niet in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

Voorts komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat het plangebied geen ernstige stofhinder zal ondervinden van de bedrijven in het westelijk havengebied niet onjuist voor. Zij neemt daarbij in aanmerking dat in het deskundigenbericht ten aanzien van de emissie van fijn stof is gesteld dat aannemelijk is dat in het plangebied aan de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit kan worden voldaan. De door appellanten ter weerlegging van deze conclusie overgelegde informatie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is naar het oordeel van de Afdeling te weinig gedetailleerd om daar anders over te oordelen.

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat ten aanzien van de emissie van grof stof geen normen voorhanden zijn die in dit verband als toetsingskader kunnen dienen. Het voorkomen van hinder als gevolg van emissie van grof stof kan worden geregeld via het verbinden van voorschriften aan een milieuvergunning. Daartoe zijn in de Nederlandse emissierichtlijnen (Ner) middelvoorschriften neergelegd, die betrekking hebben op het transport en de op- en overslag van stuifgevoelige producten. Aan het argument van appellanten dat in het westelijke havengebied de Ner-voorschriften niet strikt worden toegepast gaat de Afdeling voorbij, nu zij deze stelling niet nader hebben onderbouwd.

2.9. Ter onderbouwing van hun bezwaren inzake geurhinder, hebben Cargill B.V. en andere eveneens verwezen naar het door Ingenieurs- en Architectenbureau Haskoning in september 2001 uitgebrachte rapport “Cumulatieve Milieubelasting Deelgebied Houthavens te Amsterdam”. Ten aanzien van de geurhinder wordt in dit rapport geconcludeerd dat bij woningbouw in de Houthavens niet alleen sprake zal zijn van (nieuwe) hinder, maar ook van ernstige hinder voor bewoners. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de geurbelasting nagenoeg geheel ligt boven de waarde waarbij ernstige hinder zal optreden.

Verweerder acht de geurhinder voor de toekomstige bewoners van de Houthavens aanvaardbaar en stelt dat deze op een vergelijkbaar niveau zal liggen als die in de bestaande woonbuurten. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het door Project Research Amsterdam B.V. opgestelde rapport “Geuronderzoek Houthavens Amsterdam, Actualisatie 2000” van oktober 2000, dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Dit rapport betreft een actualisatie van het in 1994 door hetzelfde bureau uitgebrachte onderzoeksrapport “Geuronderzoek Houthavens Amsterdam, Eindrapportage”. Uit de conclusies van de actualisatie komt naar voren dat de geurbelasting in het Houthavengebied ten opzichte van de situatie in 1993 is afgenomen en vergelijkbaar is met die in grote delen van de Spaarndammerbuurt.

Voorzover Cargill B.V. en andere stellen dat het rapport “Geuronderzoek Houthavens Amsterdam, Actualisatie 2000” niet volledig is, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de totstandkoming en de inhoud van dit rapport zodanige gebreken kleven dat verweerder dit niet in redelijkheid aan zijn bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat blijkens het deskundigenbericht aan de verschillen in uitkomsten in dit rapport en in het door appellanten overgelegde rapport van Haskoning geen belangrijke betekenis behoeft te worden toegekend, aangezien de cijfers slechts grove indicaties zijn van de geurbelasting die uiteindelijk in het gebied is te verwachten. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat het aantal geselecteerde bedrijven/bronnen in beide onderzoeken nagenoeg gelijk is. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat de geurbelasting van de nieuw te vestigen bedrijven in het Houthavengebied in het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde rapport niet is meegenomen, acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk dat deze een relevante bijdrage zal leveren aan de totale geurhinder. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter plaatse alleen bedrijven zijn toegestaan die blijkens de staat van inrichtingen vallen onder de categorieën I, II en III, waardoor een groot aantal potentiële geurveroorzakende bedrijven reeds van vestiging is uitgesloten.

Voorts ziet de Afdeling, gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat woningbouw in het Houthavengebied op het punt van de geurbelasting van aanmerkelijke invloed zal zijn op de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven in het westelijk havengebied.

Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat woningbouw in de Houthavens niet in overeenstemming is met het in het rijksbeleid neergelegde uitgangspunt dat nieuwe geurhindersituaties moeten worden voorkomen, wijst de Afdeling erop dat in dit beleid eveneens is neergelegd dat het bevoegde bestuursorgaan kan vaststellen bij welk niveau er sprake is van acceptabele hinder. Nu op basis van de stukken aannemelijk is dat de geurbelasting in het plangebied vergelijkbaar zal zijn met die in de bestaande woonbuurten in de omgeving, komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat er in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau niet onredelijk voor.

2.10. Ook ter onderbouwing van hun bezwaren inzake geluidhinder, hebben Cargill B.V. en andere verwezen naar het door Ingenieurs- en Architectenbureau Haskoning in september 2001 uitgebrachte rapport “Cumulatieve Milieubelasting Deelgebied Houthavens te Amsterdam”. Ten aanzien van de geluidhinder wordt in dit rapport geconcludeerd dat op basis van het industrielawaai vanuit het industrieterrein Westpoort de wettelijke normen ter plaatse van het plangebied worden overschreden. Met betrekking tot het totaal aan industrie-, wegverkeers- en scheepvaartlawaai wordt de geluidsituatie in het Houthavengebied als slecht gekwalificeerd.

Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad, vanwege de ligging van het plangebied in de geluidhinderzone van het industriegebied Westpoort, een akoestisch onderzoek laten uitvoeren, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport “Akoestisch onderzoek naar de mogelijke woningbouw in de Houthavens” van 16 februari 2000.

Een van de conclusies uit dit onderzoek is dat op het bedrijventerrein Houthavens een lang afschermend gebouw van 17 meter hoog moet worden gerealiseerd met als doel de geluidbelasting op de hoogste lagen van de woningen tot de maximaal toelaatbare waarde van 55 dB(A) terug te dringen. In verband hiermee is in artikel 3, zevende lid, van de voorschriften van het voorliggende plan, voorzover hier van belang, bepaald dat de woningen binnen de bestemming “Woningen en Gemengde voorzieningen”, slechts mogen worden gerealiseerd indien zeker is gesteld dat geluidafschermende bebouwing op het bedrijventerrein Houthavens is of wordt gerealiseerd. Het geluidafschermende gebouw als zodanig is voorzien in het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Houthavens”.

Voorts komt uit het onderzoek naar voren dat, ondanks de geluidafschermende bebouwing, de mogelijkheid blijft bestaan dat op enkele plaatsen op de hoogste bouwlaag de maximaal toelaatbare waarde met 1 dB(A) wordt overschreden. In dit verband is in artikel 3, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften bepaald dat, indien uit geluidonderzoeken ten behoeve van bouwplannen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege industrielawaai van woningen hoger zal worden dan 55 dB(A), de woningen dienen te worden voorzien van één of meer dove gevels, zodanig dat deze waarde niet wordt overschreden. Ingevolge artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften wordt onder een dove gevel verstaan: een gevel zonder te openen elementen.

Daarnaast, zo blijkt uit de plantoelichting, is verweerder ten aanzien van een klein deel van de woningen op de hoogste bouwlaag verzocht een hogere geluidswaarde van 55 dB(A) vast te stellen.

2.10.1. De bezwaren van appellanten Cargill B.V. en andere richten zich allereerst tegen artikel 3, zevende lid, van de planvoorschriften. Zij stellen in dit verband dat de in het plan voorziene woningbouw in het Houthavengebied niet afhankelijk mag worden gesteld van het oprichten van geluidafschermende bebouwing op het bedrijventerrein Houthavens.

De Afdeling stelt vast dat het in de leden twee en zeven van

artikel 3 in onderling verband bepaalde betekent dat enerzijds alleen gebouwd mag worden indien op gronden met de bestemming “Woningen en Gemengde voorzieningen” circa 950 woningen worden gebouwd, maar anderzijds die woningen alleen mogen worden gebouwd indien zeker is gesteld dat de geluidafschermende bebouwing op het (buiten het plangebied gelegen) bedrijventerrein Houthavens is of wordt gerealiseerd.

Daargelaten dat niet duidelijk is wanneer of in welke gevallen mag worden aangenomen, dat zeker is gesteld dat de geluidafschermende bebouwing op genoemd bedrijventerrein is of wordt gerealiseerd, houdt deze regeling in de planvoorschriften in, dat de mogelijkheid tot realisering van de bestemming afhankelijk is gesteld van een onzekere gebeurtenis in de toekomst waarvan ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het plan niet zeker is of en wanneer aan die voorwaarde zal worden voldaan. De aan de orde zijnde voorschriften stellen naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende zeker dat de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming “Woningen en Gemengde voorzieningen” binnen de planperiode uitvoerbaar is. Dit bezwaar klemt te meer nu de Wet op de Ruimtelijke Ordening, behalve de mogelijkheid van een planherziening, de in artikel 11 van die wet opgenomen mogelijkheid van een wijzigingsbevoegdheid kent, welk middel in een geval als het onderhavige een geëigend middel is om te voorzien in een bestemming als hier aan de orde nadat de geluidafschermende bebouwing is of wordt gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.10.2. Ten aanzien van de overige bezwaren inzake geluidhinder overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken blijkt dat rond het industrieterrein “Westpoort” een zone ingevolge de Wet geluidhinder (verder: de Wet) is vastgesteld.

Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Wet, voorzover hier van belang, zijn met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te bouwen woningen de artikelen 46 en 47 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 46 van de Wet, voorzover hier van belang, is voor woningen binnen de zone de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege het betrokken industrieterrein 50 dB(A).

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Wet, voorzover hier van belang, wordt bij de vaststelling van een bestemmingsplan ter zake van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, de waarde in acht genomen die ingevolge artikel 46 als de ten hoogste toelaatbare wordt aangemerkt.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degene die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen en – ingeval de zone door hen wordt vastgesteld – uit eigen beweging, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 46 een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 55 dB(A) en voor wat aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Wet nemen gedeputeerde staten bij de beslissing over de goedkeuring van een bestemmingsplan voornoemde waarden in acht.

Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder ingevolge artikel

67, derde lid, in samenhang met artikel 47 van de Wet hogere grenswaarden vastgesteld voor de geluidsbelasting vanwege industrielawaai ten behoeve van een klein deel van de in het plangebied te bouwen woningen op de hoogste bouwlaag. Bij besluit van 20 november 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van Cargill B.V. en andere tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van heden, no. 200200378/1, heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 20 november 2001 vernietigd en het besluit van verweerder van 10 april 2001 herroepen.

De Afdeling overweegt dat als gevolg van deze vernietiging en herroeping voornoemde hogere waarden moeten worden geacht niet te zijn vastgesteld, zodat binnen de vastgestelde zone de waarde in acht dient te worden genomen die ingevolge artikel 46 als de ten hoogste toelaatbare wordt aangemerkt. Vaststaat dat laatstgenoemde waarde niet ten aanzien van alle woningen in acht is genomen. Hieruit volgt dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 52, eerste lid van de Wet. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 69, derde lid, van de Wet gelezen in samenhang met artikel 67, derde lid, en artikel 46 van de Wet.

2.10.3. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat artikel 3, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften niet waarborgt dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting niet wordt overschreden.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad dit planvoorschrift opgenomen teneinde te waarborgen dat in die gevallen waarin de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van de woningen de maximaal toelaatbare waarde van 55 dB(A) overschrijdt, door middel van het aanbrengen van één of meer dove gevels in ieder geval een binnenwaarde van 35 dB(A) kan worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet wordt onder een gevel verstaan: de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak, met uitzondering van een constructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 35 dB(A).

De Afdeling stelt echter vast dat in genoemd planvoorschrift aan het geluidwerend vermogen van een zogenoemde dove gevel geen nadere eisen worden gesteld, zodat een binnenwaarde van 35 dB(A) daarmee niet is gewaarborgd.

Dit planvoorschrift is derhalve in strijd met artikel 67, derde lid, in samenhang met artikel 46, artikel 52, eerste lid en artikel 1, eerste lid, van de Wet. Door dit planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 69, derde lid, van de Wet in samenhang met artikel 67, derde lid, en artikel 46 van de Wet.

2.11. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. Nu uit de stukken niet duidelijk wordt op welke woningen de besluiten van verweerder van 10 april 2001 en 20 november 2001 betrekking hebben, daarbij mede in aanmerking genomen de onlosmakelijke samenhang met de overige plandelen en hetgeen de Afdeling onder 2.10.1. en 2.10.3. heeft overwogen, komt het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling tevens aanleiding om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan het plan.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer.

2.12. Verweerder dient ten aanzien van Cargill B.V. en andere op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 november 2001, kenmerk 2001-15905;

III. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan “Wooneilanden Houthavens”;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door Cargill B.V. en andere in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.142,10, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en het overige gedeelte aan kosten van een deskundige die aan appellanten verslag heeft uitgebracht; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan Cargill B.V. en andere;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00 voor Cargill B.V. en andere en € 109,00 voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003

317-363.