Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200301382/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 6 november 2002 en 12 november 2002 heeft appellant het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoeker] om bepaalde passages in het besluit van 16 oktober 2002, in het kader van het geschil G.12.02, als bedrijfsvertrouwelijk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:de Wob) aan te merken, afgewezen. Tevens heeft appellant besloten tot publicatie van voornoemd besluit op 14 november 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301382/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het College van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 12 februari 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij brieven van 6 november 2002 en 12 november 2002 heeft appellant het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoeker] om bepaalde passages in het besluit van 16 oktober 2002, in het kader van het geschil G.12.02, als bedrijfsvertrouwelijk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:de Wob) aan te merken, afgewezen. Tevens heeft appellant besloten tot publicatie van voornoemd besluit op 14 november 2002.

Bij besluit van 3 december 2002 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2003, verzonden op 13 februari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Tevens heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening appellant verboden informatie te verstrekken omtrent het geschil G.12.02 tot zes weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 maart 2003 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “KPN Mobile the Netherlands B.V.”, aangegeven dat zij op de voet van artikel 8:26, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht aan dit geding wenst deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, en S. Formsma en J.J.H. Renkens, beiden werkzaam bij de OPTA, en [verzoeker] vertegenwoordigd door mr. J. van den Brande, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat zijn mededeling in de brief van 6 november 2002, bevestigd in de brief van 12 november 2002 en inhoudende dat bepaalde passages in het besluit van 16 oktober 2002 wel en andere niet van bedrijfsvertrouwelijke aard zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient te worden aangemerkt. Volgens appellant wordt in voormelde brieven slechts aangegeven dat op 14 november 2002 zal worden overgegaan tot publicatie van het besluit van 16 oktober 2002, hetgeen volgens appellant niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, wegens het ontbreken van rechtsgevolg.

2.2. Dit betoog faalt. Ter zitting is gebleken, en door [verzoeker] is niet weersproken, dat het publicatiebeleid van appellant, neergelegd in de Procedureregeling Geschillen OPTA, is gebaseerd op de verplichting tot actieve openbaarmaking, zoals neergelegd in artikel 8 van de Wob. De uitzonderingsgronden van artikel 10 van de Wob zijn hierop van toepassing. Onder deze omstandigheden dient de beslissing van appellant om geen uitzonderingsgrond in de zin van artikel 10 van de Wob aan te nemen, te worden aangemerkt als een besluit op grond van de Wob genomen, en is die beslissing derhalve een besluit in de zin van de Awb. De voorzieningenrechter is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. Voorts bestrijdt appellant tevergeefs de door de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb getroffen voorlopige voorziening dat het appellant verboden is om tot informatieverstrekking over te gaan omtrent het geschil tot zes weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar, aangezien door het openbaar maken van het besluit van 16 oktober 2002 een onomkeerbare situatie zou ontstaan, waardoor het eventuele beroep van [verzoeker] tegen de nieuwe beslissing illusoir zou worden. Het betoog van appellant dat het verbod om tot informatieverstrekking over te gaan veel verder strekt dan wat gelet op de materiële punten van het geschil tussen appellant en [verzoeker] gerechtvaardigd is, maakt dit, gelet op de samenhang van de overwegingen van het besluit van 16 oktober 2002, niet anders.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

91-426.