Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200205428/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Naarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 januari 2002, het bestemmingsplan "King Carsterrein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205428/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de verenigingen "vereniging Piet Hein" en "vereniging Dirk Tersteeg", gevestigd te Naarden,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Naarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 januari 2002, het bestemmingsplan "King Carsterrein" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 augustus 2002, kenmerk 2002-6537, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 11 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2002, en appellante sub 2 bij brief van 16 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 8 november 2002.

Bij brief van 11 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad en Ahold Vastgoed B.V. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door L.B. Scholte, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Tevens zijn de gemeenteraad van Naarden, vertegenwoordigd door J.J.C. Rensen, ambtenaar van de gemeente, en bijgestaan door H.M. Golstein, deskundige, en Ahold Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het bestemmingsplan wordt beoogd de bouw van een winkel- en wooncomplex mogelijk te maken op de hoek van de Godelindeweg en de Amersfoortsestraatweg te Naarden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. De verenigingen "Piet Hein" en "Dirk Tersteeg" (hierna: de verenigingen) stellen dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan en verweerder bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring vooringenomen zijn geweest. Voorts stellen appellanten dat verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk op hun bedenkingen is ingegaan.

2.3.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

De Afdeling overweegt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het bestaan van een realisatieovereenkomst tussen het college van burgemeester en wethouders van Naarden en Ahold Vastgoed B.V. over de ontwikkeling van het plangebied, de besluitvorming door de gemeenteraad heeft beïnvloed. In de overeenkomst is bepaald dat deze is aangegaan onder het voorbehoud dat de gemeenteraad met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures en bevoegdheden en gelet op de inspraakresultaten en ingebrachte zienswijzen en bedenkingen een beslissing zal nemen over de in de overeenkomst genoemde projecten en de daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplanherzieningen.

Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom verweerder vooringenomen zou zijn geweest.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de bedenkingen van appellanten samengevat weergegeven en heeft daar vervolgens een inhoudelijke reactie op gegeven. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.4. De verenigingen stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. De in het plan voorziene bouwmogelijkheden, die ten opzichte van het geldende plan zijn vergroot, zijn naar de mening van appellanten te massaal, zodat een goede inpassing in de omgeving niet gewaarborgd is. Voorts vinden zij het verleggen en doorbreken van de rooilijn aan de Godelindeweg bezwaarlijk. De verkeersaantrekkende werking van de ter plaatse toegestane functies is naar de mening van appellanten onvoldoende onderzocht. Appellanten vrezen verkeersopstoppingen en wijzen daarbij op het in hun opdracht opgestelde "Onderzoek verkeersafwikkeling Amersfoortsestraatweg". Voorts vrezen appellanten geluidoverlast.

2.4.1. De gemeenteraad heeft aan het voormalige "King Carsterrein" onder meer de bestemmingen "Woon- en detailhandelsdoeleinden" toegekend. Hij heeft overwogen dat de bouw van een winkel-/wooncomplex op deze locatie stedenbouwkundig inpasbaar is. Voorts deelt de gemeenteraad de vrees voor geluidhinder en verkeersopstoppingen niet.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. Voorts heeft hij overwogen dat het door appellanten overgelegde verkeersonderzoek niet aantoont dat het door de gemeente uitgevoerde onderzoek onvoldoende betrouwbaar zou zijn.

2.4.3. Uit de stukken blijkt dat het plangebied omringd wordt door bebouwing uit de jaren dertig aan de Godelindeweg, uit de jaren negentig aan de Dirk Tersteeglaan en uit de jaren zeventig aan de Amersfoortsestraatweg. De woningen aan de Dirk Tersteeglaan en de Godelindeweg bestaan uit twee lagen met een schuine kap. De bouwhoogte van deze woningen is ongeveer 9 tot 10 meter. De afstand tussen de gronden met de bestemming "Woon- en detailhandelsdoeleinden" en de woningen aan de Godelindeweg en de Dirk Tersteeglaan bedraagt minimaal 45 meter.

In het plan is op de gronden met de bestemming "Woon- en detailhandelsdoeleinden" aan de zijde van de Godelindeweg en de Amersfoortsestraatweg voorzien in een bouwhoogte van 14 meter en aan de zijde van de Dirk Tersteeglaan in een bouwhoogte van 5 meter. De gemeenteraad heeft blijkens de toelichting op het plan voor een hoogte van 14 meter gekozen in verband met de markante ligging van het perceel op de hoek Amersfoortsestraatweg/Godelindeweg.

In de toelichting op het bestemmingsplan is voorts vermeld dat het grondoppervlak van de toegestane bebouwing ongeveer overeenkomt met de oppervlakte van de voormalige bebouwing op dit terrein. De situering van de bebouwing is wel enigszins gewijzigd. Aan de zijde van de Amersfoortsestraatweg is de rooilijn enigszins teruggelegd waardoor de zichtlijnen op de Vesting verbeterd worden. Aan de zijde van de Godelindeweg is de rooilijn dichterbij de weg gesitueerd.

Gelet op de toegestane bouwhoogte, de markante ligging van het perceel en de aangehouden afstand tot de bestaande bebouwing acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de bouwmogelijkheden die het plan biedt passen in deze stedelijke omgeving niet onredelijk. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het geldende plan in aanzienlijk minder bouwmogelijkheden voorziet overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Gezien het voorgaande is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.4.4. In de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld dat de bouw van het winkel-/wooncomplex zal leiden tot ongeveer 4034 extra verkeersbewegingen per etmaal. Dit verkeer wordt via de Godelindeweg en de Amersfoortsestraatweg afgewikkeld.

De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het extra verkeer als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied op een veilige wijze kan worden afgewikkeld. Hij baseert zich daarbij onder meer op verkeerstellingen die in februari 2000 zijn gehouden en het verkeerskundig onderzoek van Grontmij uit 1999 waaruit blijkt dat de capaciteit van de rotonde op de hoek Amersfoortsestraatweg/Godelindeweg voldoende is voor de afwikkeling van het verkeersaanbod. Deze laatste conclusie wordt volgens de gemeenteraad bevestigd in een onderzoek door AGV adviesdienst voor verkeer en vervoer van 2001.

In het in opdracht van de verenigingen opgestelde "Onderzoek verkeersafwikkeling Amersfoortsestraatweg" wordt gesteld dat de gemeenteraad bij de beoordeling van de afwikkelingscapaciteit van de rotonde Amersfoortsestraatweg/Godelindeweg ten onrechte enkele ontwikkelingen, die eveneens van invloed zullen zijn op het verkeersaanbod op deze rotonde, buiten beschouwing heeft gelaten. De gemeenteraad heeft in reactie op dit rapport gesteld dat de verkeersbewegingen van en naar de sportvelden bij het onderzoek zijn betrokken en dat uit onderzoek blijkt dat als gevolg van verkeersmaatregelen bij Naarden Vesting het verkeersaanbod op dit wegvak niet tot slechts zeer gering zal toenemen. De extra verkeersbewegingen van de mogelijke vestiging van een kinderdagverblijf worden geraamd op 200 en zijn niet meegerekend. Niet verwacht wordt dat dit aantal bewegingen problemen bij de afwikkeling van het verkeer zal veroorzaken.

Verweerder behoefde naar het oordeel van de Afdeling in het rapport dat in opdracht van appellanten is opgesteld geen aanleiding te zien te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door de gemeenteraad gehanteerde gegevens. Zij neemt daarbij in aanmerking dat in het rapport van appellanten niet is aangetoond dat de door hen vermelde toekomstige ontwikkelingen die een effect kunnen hebben op het verkeersaanbod op de Amersfoortsestraatweg ook zullen leiden tot capaciteitsproblemen op deze weg. Voorts is van de zijde van het gemeentebestuur betoogd dat bij eventuele congestie op de Amersfoortsestraatweg de aanleg van een 'linksafstrook' overwogen kan worden. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersaantrekkende werking en de afwikkeling van het verkeer voldoende zijn onderzocht en dat niet aannemelijk is dat de ontwikkelingen in het plangebied zullen leiden tot een onveilige en problematische verkeerssituatie op de Amersfoortsestraatweg.

2.4.5. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt ter voorkoming van hinder een aan te houden afstand van 30 meter tussen een supermarkt en een rustige woonwijk geadviseerd. De brochure "Bedrijven en Milieuzonering" heeft een indicatief en globaal karakter en dient als hulpmiddel bij het ontwerpen van een bestemmingsplan.

De afstand tussen de woningen aan de Dirk Tersteeglaan en de Godelindeweg en het bestemmingsvlak "Woon- en detailhandelsdoeleinden" bedraagt minimaal 45 meter. Gezien deze afstand acht de Afdeling het standpunt van de gemeenteraad en verweerder dat ter plaatse van de woningen aan de Dirk Tersteeglaan en de Godelindeweg niet gevreesd behoeft te worden voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat, niet onredelijk. Niet aannemelijk is voorts dat de reflectie van verkeersgeluid, zo een dergelijk effect zich al zal voordoen, een merkbare verhoging van de geluidbelasting op de gevels van de woningen langs de Godelindeweg tot gevolg zal hebben.

2.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.6. [appellante sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Water" voor de gedeeltelijk over haar perceel liggende Galgesloot. Appellante wijst erop dat in het voorheen geldende bestemmingsplan was voorzien in de verlegging van deze sloot. Het gemeentebestuur zou bovendien bij de verlening van de bouwvergunning voor haar kantoren aan de Naarderpoort hebben toegezegd dat appellante de gronden na de verlegging van de sloot zou mogen gebruiken als parkeerterrein. Het plan maakt dat gebruik niet meer mogelijk.

2.6.1. De gemeenteraad heeft de bestemming "Water" toegekend aan de bestaande Galgesloot. Hij heeft overwogen dat de sloot thans een natuurlijke scheiding vormt tussen de wijk Dirk Tersteeg en de bebouwing in het plangebied.

2.6.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plandeel goedgekeurd. Naar aanleiding van de bedenkingen van appellante heeft verweerder overwogen dat zij, zo zij van mening is schade te lijden door de wijziging van de bestemming van haar percelen, een verzoek om planschadevergoeding kan indienen.

2.6.3. Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan voor een deel van haar perceel in parkeermogelijkheden zou voorzien. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

De Afdeling overweegt voorts dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Ten aanzien van het betoog van appellante dat de waterberging zou kunnen worden opgenomen in de groenvoorziening in het plangebied overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich niet voordoet.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Verbeek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

388.