Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200205062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2000 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om een tegemoetkoming in de door reeën in de eerste helft van 1998 aangerichte schade aan zijn gewas tulpen op zijn perceel aan de Blake Beemd te Soerendonk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205062/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het Jachtfonds, gevestigd te Dordrecht

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2000 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om een tegemoetkoming in de door reeën in de eerste helft van 1998 aangerichte schade aan zijn gewas tulpen op zijn perceel aan de Blake Beemd te Soerendonk afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2002, verzonden op 1 augustus 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 december 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. K.J. Oost, gemachtigde, vergezeld van H.W.M. van Welie, secretaris-penningmeester, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. A.J. Likkel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Jachtwet heeft het Jachtfonds tot taak het in stand houden te bevorderen van niet tot het in artikel 8, eerste lid, van deze wet genoemd wild behorende wildsoorten, welker handhaving in de vrije natuur waardevol is, en de belangen van de landbouw met betrekking tot de jacht te dienen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover hier van belang, tracht het Jachtfonds het in het eerste lid omschreven doel te bereiken door het treffen van maatregelen die bestaan in het verlenen van tegemoetkomingen in door wild aangerichte schade, met inachtneming van door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te stellen regelen.

Ingevolge artikel 2 van de Beschikking van 10 oktober 1978 (Stcrt. 1978, 200, hierna: de Beschikking) kan door het bestuur van het Jachtfonds aan de grondgebruiker op zijn aanvrage een tegemoetkoming worden verleend in door wild aangerichte schade aan de landbouw.

Ingevolge artikel 4 van de Beschikking zal het bestuur van het Jachtfonds een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de schade niet had kunnen worden voorkomen door maatregelen of inspanningen, waartoe de jachthouder of grondgebruiker op grond van de wet of het gebruik verplicht is.

2.2. Bij de beslissing op bezwaar heeft appellant de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van de schade aan zijn tulpen ten gevolge van de schimmelziekte botrytis, die volgens [verzoeker] is ontstaan na betreding van zijn perceel begin maart 1998 door reeën, gehandhaafd op de grond dat het verband tussen het betreden van het perceel door reeën en het optreden van botrytis aan de tulpen en tulpenbollen niet aannemelijk is gemaakt. Appellant heeft zich voor dit oordeel gebaseerd op adviezen van de Wildschadecommissie en rapporten van [naam expertisebureau]. Ook als wel aannemelijk zou zijn dat de botrytis het uitsluitende gevolg was van schade aangericht door reeën, dan nog zou [verzoeker] volgens appellant niet voor schadevergoeding in aanmerking komen, aangezien [verzoeker] geen of onvoldoende preventieve maatregelen heeft getroffen om schade aan zijn gewas te voorkomen, terwijl het aan [verzoeker] bekend was dat in de omgeving van zijn perceel reeën voorkomen en op het perceel naast dat van [verzoeker] schorseneren waren verbouwd, die een voor reeën aantrekkelijk gewas zijn.

2.3. De rechtbank heeft een causaal verband tussen het betreden door de reeën van het perceel en het optreden van botrytis in de tulpen van [verzoeker] aannemelijk geacht, mede gelet op het feit dat tulpen als gevolg van het betreden door reeën met botrytis besmet kunnen raken en [verzoeker] voordien tien jaar lang geen last heeft gehad van (schade door) reeën. Ook heeft de rechtbank in haar beschouwing betrokken dat [verzoeker] al ruim twintig jaar les geeft in de planten- en bollenteelt en spuitlicenties verzorgt voor bollentelers, zodat hij mag worden geacht op de hoogte te zijn van de juiste wijze van ziektebestrijding. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat [verzoeker] niet kan worden verweten onvoldoende maatregelen te hebben genomen om deze schade te voorkomen of te verminderen, in welk verband de rechtbank onder meer heeft overwogen dat [verzoeker] vóór het onderhavige schadegeval tien jaar geen last heeft gehad van schade door reeën en niet is komen vast te staan dat [verzoeker] wist dat op het perceel aangrenzend aan het zijne voorheen schorseneren, een voor reeën aantrekkelijk gewas, werden verbouwd. Op grond hiervan heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2001 vernietigd.

2.4. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel.

Appellant heeft zijn oordeel over het ontbreken van causaal verband gegrond op de adviezen van de Wildschadecommissie van 28 december 1998, 6 mei 1999 en 4 juni 1999 en de rapporten van [naam expertisebureau] van 27 januari 2000 en 13 februari 2001. Blijkens deze adviezen en rapporten is een direct verband tussen de betredingsschade door reeën en botrytis niet aan te nemen en zijn andere oorzaken voor het ontstaan van de botrytis, zoals ongunstige weeromstandigheden of onjuist of niet voldoende spuiten van het gewas, niet uit te sluiten. Niet is gebleken dat de Wildschadecommissie of [naam expertisebureau] de onderzoeken niet op de juiste wijze hebben verricht dan wel dat hun adviezen en rapporten, hoewel niet uitvoerig gemotiveerd, ondeugdelijk zijn. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat appellant zich niet in redelijkheid op deze adviezen en rapporten heeft mogen baseren. De door [verzoeker] ingebrachte brieven van de Stichting Proeftuin Zwaagdijk van 19 maart 1999 en 11 oktober 2000 zijn voor dit oordeel onvoldoende, nu hierin onder meer wordt gesteld dat indien dagelijks reeën door het gewas lopen, hierdoor botrytis zou kunnen optreden. Dagelijks betreden door reeën is hier niet aan de orde.

Appellant heeft zich dan ook op basis van de desbetreffende adviezen en rapporten in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de botrytis is veroorzaakt door het betreden van het perceel door reeën.

Gelet hierop komt de Afdeling niet meer toe aan beoordeling van de vraag of het optreden van de schade aan de tulpen ten gevolge van botrytis voorzienbaar was, dan wel of appellant [verzoeker] in redelijkheid kon verwijten niet voldoende preventieve maatregelen te hebben getroffen om het optreden van de schade te voorkomen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002, AWB 01/2050;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

204-426.