Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200204777/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vereniging “Vereniging Mineralenverwerking Someren” (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend voor een termijn van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie op het perceel Dorserweg, ongenummerd, te Someren, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie H, nummers 178, 179, 190 en 1937. Dit besluit is op 22 juli 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204777/2.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Kassa Jeans B.V." en andere, alle gevestigd te Someren,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vereniging “Vereniging Mineralenverwerking Someren” (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend voor een termijn van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie op het perceel Dorserweg, ongenummerd, te Someren, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie H, nummers 178, 179, 190 en 1937. Dit besluit is op 22 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2003.

Bij brief van 6 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de zijde van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R.M. de Groot en ing. J. van den Meiracker, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens vergunninghoudster gehoord [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, betreft een co-vergistingsinstallatie waarin dierlijke mest en bermgras worden vergist en ontleed in biogas, een rulle fractie, mineralenconcentraten en afvalwater. De inrichting ligt op een bedrijventerrein. In de omgeving van de inrichting liggen naast bedrijven en kassen, woningen van derden en een woonwagenkamp. De eerste woningen van het woonwagenkamp bevinden zich op een afstand van circa 120 meter van de inrichting, zo blijkt uit het deskundigenbericht. Voor het lozen van afvalstoffen en schadelijke of verontreinigende stoffen afkomstig van de onderhavige inrichting is tevens een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist. De in beroep door appellanten aangevoerde bezwaren zijn tevens tegen de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gericht.

2.2. Eerst ter zitting hebben appellanten betoogd dat vanwege de vestiging van onderhavige inrichting voor de omliggende bedrijven een verhoogde kans op brand- en explosiegevaar aanwezig is. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellanten deze niet eerder in de procedure naar voren hadden kunnen brengen. Deze grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover zich dat keert tegen het ontbreken van een beoordeling van de bacteriologische en microbiologische omstandigheden in de inrichting en het ontbreken van een actuele situatietekening van de inrichting. Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake het ontbreken van een beoordeling van de bacteriologische en microbiologische omstandigheden in de inrichting wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin is aangevoerd dat appellanten negatieve gevolgen verwachten vanwege de inrichting zoals problemen op het gebied van techniek dan wel kwaliteit bij de eigen bedrijfsprocessen van appellanten. De verwijzing in beroep naar de bacteriologische en microbiologische omstandigheden in de inrichting moet in dit geval worden beschouwd als beargumentering van de bij brief van 24 april 2002 aangevoerde bedenkingen. Het beroep is daarom op dit punt ontvankelijk.

De Afdeling stelt voorts vast dat appellanten de grond inzake het ontbreken van een actuele situatietekening van de inrichting niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit heeft ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

Verder overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen. Het ontwerp van het bestreden besluit heeft ter inzage gelegen van 8 april 2002 tot en met 6 mei 2002. Appellanten hebben bij brief van 24 april 2002, ingekomen bij verweerder op dezelfde datum, gemotiveerde bedenkingen ingebracht tegen het ter inzage gelegde ontwerp van het besluit. Hierbij hebben appellanten aan verweerder verzocht om het complete exemplaar van de aanvraag en het ontwerpbesluit toe te sturen om de bedenkingen verder uit te werken en te onderbouwen. Uit de stukken blijkt dat verweerder deze stukken heeft verstrekt en aan appellanten toestemming heeft verleend de reeds ingebrachte bedenkingen nader te onderbouwen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd te kennen gegeven dat deze toestemming impliceerde dat appellanten ook buiten de termijn van vier weken nieuwe bedenkingen mochten inbrengen. Bij brief van 21 mei 2002 hebben appellanten de reeds ingediende bedenkingen van 24 april 2002 toegelicht en voor een deel nieuwe bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht, waaronder de gronden dat ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt en dat proefnemingen ten onrechte zijn vergund. Het indienen van nieuwe bedenkingen buiten de in artikel 3:24 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van vier weken, is echter in strijd met dit artikel en met het systeem van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Het feit dat verweerder in het onderhavige geval een termijn voor het indienen van bedenkingen heeft gegund, maakt dit niet anders. Uit het vorenstaande volgt dat de bedenkingen die appellanten voor het eerst bij brief van 21 mei 2002 tegen het ontwerp van het besluit hebben aangevoerd, te laat zijn ingediend. De gelijkluidende beroepsgronden vinden daarom geen grondslag in de tijdig ingebrachte bedenkingen. Evenmin is gebleken dat appellanten op grond van het bepaalde onder b, c of d van dit artikel wat betreft deze gronden in hun beroep kunnen worden ontvangen. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten voorzover het betreft de herhaalde en ingelaste bedenkingen van 21 mei 2002 niet-ontvankelijk is.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting planologisch niet inpasbaar is.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen. Voorzover appellanten zich niet kunnen verenigen met de locatie waar de inrichting wordt gevestigd, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Appellanten verwachten geurhinder als gevolg van de inrichting. Zij menen dat verweerder een strengere geurnorm had moeten opnemen dan thans in de vergunning is opgenomen. In dit kader voeren zij aan dat verweerder ten onrechte het beschermingsniveau voor de op het bedrijventerrein gevestigde woningen niet heeft vastgesteld op 1 g.e./m3 als 99,5 percentiel.

Appellanten stellen voorts dat ten onrechte de geurhinder, veroorzaakt door verdringingslucht bij het vullen van de tankwagens met concentraten, niet in het geuronderzoek is betrokken. Zij stellen dat verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder vanwege het laden van de concentraten in de tankwagens.

2.6.1. Verweerder acht de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend ter bescherming van omwonenden tegen geurhinder.

Hij stelt zich verder op het standpunt dat het concentraat dat na toepassing van omgekeerde osmose en ultrafiltratie overblijft, nagenoeg reukloos is en de kans op geuroverlast bij het laden van het concentraat om die reden verwaarloosbaar is.

2.6.2. De voorschriften 4.1.1 tot en met 4.4.3 hebben betrekking op de beperking van geurhinder.

In voorschrift 4.2.1 is bepaald dat de totale geuremissie vanwege de inrichting naar de omgeving niet meer mag bedragen dan 20 miljoen geureenheden per uur.

Ingevolge voorschrift 4.2.2 dient de geurimmissie vanwege de inrichting, bepaald als uurgemiddelde concentratie, zodanig te zijn beperkt dat de 99,5-percentiel-contour van 1 g.e./m3 op leefniveau, zoals berekend en is aangegeven in bijlage 1 van de vergunning, niet wordt overschreden.

2.6.3. Verweerder heeft blijkens de considerans van het bestreden besluit bij de invulling van de hem in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid, wat de voorschriften met betrekking tot geur betreft de “Notitie geurbeleid” van de provincie Noord-Brabant van april 2000 gehanteerd. In deze notitie is aansluiting gezocht bij de landelijke aanbevelingen met betrekking tot geurbeleid die zijn neergelegd in de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995. Het provinciaal beleid is erop gericht dat geen toename van geuroverlast plaatsvindt. Als streefwaarde voor het buitengebied wordt door verweerder in het algemeen 1 g.e./m3 als 98 percentiel gehanteerd. Verweerder heeft evenwel in het onderhavige geval gekozen voor een waarde van 1 g.e./m3 als 99,5 percentiel bij woningen, omdat zou zijn gebleken dat daar door de inrichting aan kan worden voldaan. Niet is gebleken dat het standpunt van verweerder dat als aan deze waarde wordt voldaan, onacceptabele geurhinder niet optreedt, onjuist is.

Tot de aanvraag, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, behoort een in opdracht van vergunninghoudster door Project Research Amsterdam B.V. uitgevoerd geuronderzoek. Verweerder heeft zijn beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting gebaseerd op dit geuronderzoek. In het daarvan opgemaakte rapport van oktober 2001 wordt geconcludeerd dat bij normale bedrijfsomstandigheden (uitgaande van een rendement van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie van 99% en een rendement van het biofilter van 90%) de waarde van 1 g.e./m3 als 99,5 percentiel nergens buiten de inrichting wordt overschreden. Verder wordt in het rapport geconcludeerd dat indien wordt uitgegaan van een rendement van de warmtekrachtkoppelings-installatie van 95% en een rendement van het biofilter van 75% de geurcontour van 1 g.e./m3 als 99,5 percentiel aan de rand van de woonbebouwing ligt. In dat geval bedraagt de geuremissie ongeveer 20 miljoen geureenheden per uur.

In het onderzoek is de geuremissie, veroorzaakt door het laden van concentraten in tankwagens, niet betrokken. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat ten gevolge van het laden van de concentraten in de tankwagens nauwelijks sprake is van geuroverlast. De Afdeling ziet gezien het vorenstaande en gelet op hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder er niet van mocht uitgaan dat de in het rapport vermelde uitkomsten van het onderzoek betreffende de te verwachten geurbelasting juist zijn.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit binnen de in het rapport aangegeven geurcontour, indien wordt uitgegaan van een rendement van de warmtekrachtkoppelings-installatie van 95% en een rendement van het biofilter van 75%, geen woningen waren gelegen. Appellanten hebben dit niet weersproken. Bij woningen wordt dan ook aan de norm van 1 g.e./m3 als 99,5 percentiel voldaan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nadere voorschriften ter beperking van geurhinder ten gevolge van het laden van concentraten in tankwagens in het belang van de bescherming van het milieu niet nodig zijn. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geurhinder in voldoende mate wordt beperkt. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.7. Verder menen appellanten dat ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder te allen tijde deskundig personeel binnen de inrichting aanwezig dient te zijn. Zij stellen dat de terzake aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn.

2.7.1. Verweerder is van mening dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.4.1 en 1.4.2 toereikend zijn ter beperking van geurhinder. Voorts wijst hij erop dat in de aanvraag, welke deel uitmaakt van de vergunning, een procedurebeschrijving is opgenomen van de werking van de inrichting met daarin instructies voor het in de inrichting werkzame personeel.

2.7.2. Ingevolge voorschrift 1.4.1 dienen alle in de inrichting aanwezige personen schriftelijk instructies en informatie te hebben ontvangen die erop gericht zijn gedragingen, die tot gevolg hebben dat de inrichting anders dan overeenkomstig de vergunning in werking is, uit te sluiten.

Ingevolge voorschrift 1.4.2 dienen de in de inrichting werkzame personen schriftelijk zodanig te zijn geïnstrueerd dat zij op de hoogte zijn van:

a. het gevaar, de schade of hinder welke de in de inrichting aanwezige grond- en hulpstoffen kunnen veroorzaken;

b. de werkwijze die in acht genomen dient te worden voor het veilig en juist omgaan met de grond- en hulpstoffen teneinde gevaar, schade of hinder te voorkomen;- en

c. van de maatregelen die in geval van een calamiteit dienen te worden genomen om gevaar, schade of hinder te voorkomen.

2.7.3. De Afdeling stelt vast dat met de voorschriften 1.4.1 en 1.4.2 niet is gegarandeerd dat te allen tijde deskundig personeel in de inrichting aanwezig is. De Afdeling is evenwel van oordeel, mede gelet op het deskundigenbericht, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter beperking van geurhinder de procedurebeschrijving in de aanvraag, in samenhang met de voorschriften 1.4.1 en 1.4.2, voorzover het de aanwezigheid van deskundig personeel binnen de inrichting betreft, toereikend zijn.

Voorzover appellanten vrezen dat de aan de vergunning terzake verbonden voorschriften niet worden nageleefd, merkt de Afdeling op dat de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid voorziet tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Dit beroepsonderdeel slaagt derhalve niet.

2.8. Appellanten vrezen voorts besmettingsgevaar voor hun bedrijven vanwege de bacteriologische en microbiologische processen die plaatsvinden in de inrichting. Zij wijzen er op dat in de omgeving van de inrichting bijzonder gevoelige bedrijven zijn gevestigd, zoals diverse glastuinbouwbedrijven alsmede een vleesverwerkend bedrijf.

2.8.1. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de vergistingsinstallatie zodanig is geconstrueerd dat geen emissies naar de buitenlucht kunnen plaatsvinden. Verweerder is er verder van uitgegaan dat besmettingsrisico’s acceptabel zijn.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat met besmettingsrisico’s die worden veroorzaakt door bijzondere gevoeligheid van omringende bedrijven bij de beoordeling of sprake is van ontoelaatbare gevolgen voor het milieu in het bestreden besluit geen rekening kan worden gehouden.

Volgens het deskundigenbericht zal het besmettingsgevaar gering zijn omdat alle activiteiten die overdracht van aerosolen in de lucht kunnen bevorderen, inpandig dienen plaats te vinden, waarbij een onderdruk in de panden gerealiseerd moet worden. Gelet op de aard van de activiteiten en de wijze waarop deze worden uitgevoerd heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat besmettingsgevaar voor omliggende bedrijven in beginsel in voldoende mate is beperkt. Dit beroepsonderdeel faalt eveneens.

2.9. Voorzover appellanten voor het overige in hun beroepschrift hun bedenkingen van 24 april 2002 en 21 mei 2002 hebben ingelast of herhaald, treft het beroep, voorzover ontvankelijk, geen doel. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder voldoende gemotiveerd ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden zijn, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft het ontbreken van een actuele situatietekening van de inrichting en voorzover het betreft de herhaalde en ingelaste bedenkingen van 21 mei 2002;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

163-414.