Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9860

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200204330/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij gemeenschappelijk besluit van 12 en 19 december 2001, nummer 48-I, hebben provinciale staten van respectievelijk Drenthe en Overijssel het Reglement voor het waterschap Velt en Vecht gewijzigd, in die zin dat dit waterschap het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van de Overijsselsche Vecht heeft in het gebied vanaf de Duitse grens tot en met de stuw Vechterweerd en het vaarwegbeheer in het gebied van het Zwarte Water tot aan de stuw bij Junne, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Voorts hebben zij de inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2002 bepaald en de bevoegdheid tot het geven van nadere voorschriften en het nemen van maatregelen die met het oog op de inwerkingtreding nodig mochten blijken, gedelegeerd aan het college van gedeputeerde staten van Drenthe en Overijssel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 345

Uitspraak

200204330/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. het algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht,

2. het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

appellanten,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij gemeenschappelijk besluit van 12 en 19 december 2001, nummer 48-I, hebben provinciale staten van respectievelijk Drenthe en Overijssel het Reglement voor het waterschap Velt en Vecht gewijzigd, in die zin dat dit waterschap het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van de Overijsselsche Vecht heeft in het gebied vanaf de Duitse grens tot en met de stuw Vechterweerd en het vaarwegbeheer in het gebied van het Zwarte Water tot aan de stuw bij Junne, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Voorts hebben zij de inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2002 bepaald en de bevoegdheid tot het geven van nadere voorschriften en het nemen van maatregelen die met het oog op de inwerkingtreding nodig mochten blijken, gedelegeerd aan het college van gedeputeerde staten van Drenthe en Overijssel.

Bij gemeenschappelijk besluit van 12 en 19 december 2001, nummer 48-II, hebben provinciale staten van respectievelijk Drenthe en Overijssel het dagelijks bestuur van het waterschap Velt en Vecht ten aanzien van de Overijsselsche Vecht aangewezen als bevoegd gezag, als bedoeld in de Scheepvaartverkeerswet. Voorts hebben zij de inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2002 bepaald en de bevoegdheid tot het geven van nadere voorschriften en het nemen van maatregelen die met het oog op de inwerkingtreding nodig mochten blijken, gedelegeerd aan het college van gedeputeerde staten van Drenthe en Overijssel.

Bij besluit van 19 december 2001, nummer 48-III, hebben provinciale staten van Overijssel het Reglement voor het waterschap Groot Salland gewijzigd, in die zin dat dit waterschap het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van de Overijsselsche Vecht heeft in het gebied vanaf de stuw Vechterweerd tot de monding in het Zwarte Water, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Voorts hebben zij de inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2002 bepaald en de bevoegdheid tot het geven van nadere voorschriften en het nemen van maatregelen die met het oog op de inwerkingtreding nodig mochten blijken, gedelegeerd aan het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Bij gemeenschappelijk besluit van 12 en 19 december 2001, nummer 48-IV, hebben provinciale staten van respectievelijk Gelderland en Overijssel het gebied van het waterschap Regge en Dinkel aangepast. Voorts hebben zij de inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2002 bepaald en de bevoegdheid tot het geven van nadere voorschriften en het nemen van maatregelen die met het oog op de inwerkingtreding nodig mochten blijken, gedelegeerd aan het college gedeputeerde staten van Gelderland en Overijssel.

Bij besluit van 3 juli 2002 heeft verweerder aan deze besluiten goedkeuring onthouden.

Tegen dit besluit hebben het dagelijks bestuur van het waterschap Velt en Vecht bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, en appellant sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 28 augustus 2002. Bij brief van 29 oktober 2002 heeft appellant sub 1 bericht dat het door het dagelijks bestuur van het waterschap Velt en Vecht ingestelde beroep door hem is bekrachtigd.

Bij brief van 10 september 2002 heeft [partij 1] te [plaats] een reactie ingediend. Bij brief van 13 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen een reactie ingediend. Bij brief van 27 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Groot Salland een reactie ingediend. Bij brief van 9 oktober 2002 heeft [partij 2] te [plaats] een reactie ingediend, die hij heeft aangevuld bij brieven van 9 en 12 november 2002.

Bij brief van 4 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 maart 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door ing. W. Wolthuis, dijkgraaf, en mr. drs. P. Donker, gemachtigde, appellant sub 2, vertegenwoordigd door ir. H. Tienstra en dr. F. van Lent, gemachtigden, verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, het dagelijks bestuur van het waterschap Groot Salland, vertegenwoordigd door dr. S. Schaap, dijkgraaf, en mr. J. Koster, gemachtigde, en [partij 1] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de hiervoor vermelde besluiten van de provinciale staten van Overijssel, Drenthe en Gelderland wegens strijd met het recht en het algemeen belang.

2.2. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet kan aan waterschappen, die met de zorg voor de waterhuishouding zijn belast, daarnaast de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Waterschapswet behoeft een besluit van provinciale staten tot het opheffen of instellen van een waterschap dan wel tot vaststelling of wijziging van het reglement voor een waterschap de goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Waterschapswet betreft het in het eerste lid omschreven goedkeuringsvereiste voor een besluit tot vaststelling of wijziging van het reglement alleen de regeling bij dat besluit van de taak en het gebied van het waterschap, van de samenstelling van zijn bestuur en van de aanwijzing van categorieën van omslagplichtigen, met inbegrip van eventuele uitgangspunten van de kostentoedeling.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Waterstaatswet 1900, voorzover hier van belang, geschiedt het bij anderen in beheer of onderhoud brengen van waterstaatswerken die bij het Rijk in beheer of onderhoud zijn bij wet.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 kunnen in afwijking van het eerste lid waterstaatswerken in beheer of onderhoud bij het Rijk, die niet van nationaal belang zijn, bij koninklijk besluit bij anderen in beheer of onderhoud worden gebracht, indien daaromtrent overeenstemming is bereikt tussen het Rijk en die anderen.

2.3. Ter zitting heeft appellant sub 1 zijn beroep, voorzover betrekking hebbend op het betoog dat het besluit waarbij het dagelijks bestuur van het waterschap Velt en Vecht ten aanzien van de Overijsselsche Vecht is aangewezen als bevoegd gezag, als bedoeld in de Scheepvaartverkeerswet, niet is onderworpen aan goedkeuring als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Waterschapswet, ingetrokken.

2.4. In het in 1991 verschenen eindrapport van de Stuurgroep Decentralisatie Beheer en Natte Waterstaatswerken is de Overijsselsche Vecht, die thans namens het Rijk in beheer is bij Rijkswaterstaat, Directie Oost-Nederland, (hierna: de Directie), aangewezen als object dat in beginsel in aanmerking komt voor overdracht aan een waterschap. De Regering heeft dit rapport gevolgd. De Overijsselsche Vecht wordt niet langer beschouwd als waterstaatswerk van nationaal belang. Hieruit volgt dat op grond van artikel 1, tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 overdracht van het beheer van deze rivier kan plaatsvinden bij koninklijk besluit.

Met het oog op een eventuele overdracht van beheer van de Overijsselsche Vecht heeft de Directie in het jaar 2000 overleg gehad met de waterschappen Velt en Vecht en Groot Salland. Bij dit overleg is het uitgangspunt geweest handhaving van het ongedeelde beheer van de gehele rivier, op basis van een stroomgebiedsbenadering. Beide waterschappen hebben daarbij aangegeven tenminste een gedeelte van de Overijsselsche Vecht te willen beheren. Nadat het waterschap Groot Salland zich had teruggetrokken, is op 1 december 2000 een principeakkoord gesloten tussen de Directie en het waterschap Velt en Vecht.

Op 12 en 19 december 2001 hebben provinciale staten van Drenthe, Overijssel en Gelderland, deels gezamenlijk, besluiten genomen teneinde de overdracht van het beheer van de Overijsselsche Vecht mogelijk te maken. In deze besluiten is volgens de Directie, die als beheerder en overdragende partij niet is betrokken bij het bestuurlijke overleg en de uiteindelijke besluitvorming inzake de toedeling van het beheer van de Overijsselsche Vecht als neergelegd in de voornoemde provinciale besluiten, afgeweken van de tot dan bij waterschappelijke indelingen steeds gehanteerde uitgangspunten inhoudende een stroomgebiedsbenadering en integraal waterbeheer en daarmee ook van het voormelde principeakkoord.

Op 23 januari 2002 heeft appellant sub 2 de Minister van Verkeer en Waterstaat verzocht om goedkeuring van de besluiten op grond van artikel 5, eerste lid, van de Waterschapswet. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder bedenkingen van onder meer de voornoemde personen en waterschappen en van de Directie ontvangen, benevens van onder meer voornoemde waterschappen verzoeken, die hij heeft aangemerkt als verzoeken als bedoeld in artikel 5 van de Grondwet. Gelet op de uit deze verzoeken en bedenkingen blijkende uiteenlopende opvattingen omtrent de provinciale besluiten, heeft verweerder op 23 april 2002 een bestuurlijk overleg georganiseerd, waarbij de betrokken provincies alsmede de betrokken waterschappen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt uiteen te zetten. Deze standpunten bleken niet verenigbaar.

Verweerder heeft, na op 28 mei 2002 het voornemen te hebben geuit goedkeuring aan voormelde besluiten te onthouden wegens strijd met het recht en het algemeen belang, aan deze besluiten, gelet op artikel 5, eerste lid, van de Waterschapswet, goedkeuring onthouden.

2.5. Uit de stukken blijkt en ter zitting is bevestigd dat omtrent de overdracht van het beheer van de Overijsselsche Vecht aan de voornoemde waterschappen en het gewenste eenduidige beheer geen overeenstemming bestaat tussen de Directie en die waterschappen. Het beheer van de Overijsselsche Vecht is niet - en kon gelet op het vorenstaande ook niet - bij koninklijk besluit worden overgedragen van het Rijk aan de anderen, zoals in dit geval aan de betrokken waterschappen. Door desondanks beheertaken aan de waterschappen Velt en Vecht en Groot Salland over te dragen, hebben de colleges van gedeputeerde staten van Overijssel, Drenthe en Gelderland gehandeld in strijd met het recht. Gelet hierop mocht verweerder de op grond van artikel 5, eerste lid, van de Waterschapswet verzochte goedkeuring onthouden aan de besluiten.

Uit de stukken blijkt voorts dat verweerder overwegende bezwaren, die verband houden met de bestuurlijke verdeeldheid omtrent het in de besluiten voorgestane toekomstige beheer van de Overijsselsche Vecht en het daarmee samenhangende onvoldoende uitzicht op de noodzakelijke samenwerking tussen de voornoemde waterschappen voor het gewenste eenduidige beheer, ten grondslag heeft gelegd aan de overweging dat sprake is van strijd met het algemeen belang. Ter zitting is gebleken dat deze bestuurlijke verdeeldheid nog immer bestaat en dat geen uitzicht bestaat op beëindiging daarvan. Evenmin bestaat uitzicht op een zogenoemd waterakkoord tussen de waterschappen voor een eenduidig, afgestemd beheer van de Overijsselsche Vecht. Dat op andere terreinen geen bestuurlijke verdeeldheid, maar samenwerking is tussen de voornoemde waterschappen, kan hieraan niet afdoen. Deswege mocht verweerder ook op grond van strijd met het algemeen belang goedkeuring onthouden aan de besluiten.

Dat verweerder zijn bevoegdheden als toezichthouder zou hebben misbruikt en daarmede in strijd met artikel 3:3 van de Awb zou hebben gehandeld, kan, gelet op het vorenoverwogene, niet staande worden gehouden.

Omdat de, zoals hierboven overwogen, juiste gronden voor de onthouding van goedkeuring in het besluit zijn uiteengezet, heeft verweerder voldoende en deugdelijk gemotiveerd het besluit genomen. Dat in het besluit niet wordt verwezen naar eerdere besprekingen over financiële zaken, kan hieraan niet afdoen, te minder daar de gronden voor de onthouding van de goedkeuring niet zien op bezwaren van financiële aard.

Het besluit is tijdig aan appellanten ter kennis gebracht. Daarnaast zijn zij vooraf in de gelegenheid gesteld zich te doen horen over het standpunt van verweerder. Van onzorgvuldigheid inzake de voorbereiding van het besluit is dan ook geen sprake.

2.6. De beroepen zijn, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

164-424.