Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200203383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft de raad van stadsdeel Westerpark, op voorstel van het dagelijks bestuur van 18 september 2001, het bestemmingsplan "Barentszplein e.o." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/341

Uitspraak

200203383/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],

2. [appellanten sub 2], handelend onder de naam “Werkgroep Woonschepen Westerdok”,

3. [appellanten sub 3],

4. Bewonersvereniging tot behoud van het Westerdok,

5. [appellanten sub 5],

6. de vereniging “Vereniging van Eigenaren [locatie 1]”,

7. de vereniging “Vereniging van Eigenaren [locatie 2]”,

8. de maatschap "Westerdokshuis” en "De Architectengroep",

alle te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft de raad van stadsdeel Westerpark, op voorstel van het dagelijks bestuur van 18 september 2001, het bestemmingsplan "Barentszplein e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 mei 2002, kenmerk 2001-40944, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 2 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2002, appellanten sub 2 bij brief van 29 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2002, appellanten sub 3 bij brief van 2 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, appellante sub 4 bij brief van 9 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, appellanten sub 5 bij brief van 9 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, appellante sub 6 bij brief van 8 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, appellante sub 7 bij brief van 8 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, en appellanten sub 8 bij brief van 10 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 4. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar appellanten sub 2, in de persoon van [gemachtigde], appellanten sub 3, in de persoon van [gemachtigde], appellante sub 4, vertegenwoordigd door A. van Ree, J. Beverdam en P. Swart, gemachtigden, en bijgestaan door N.C. Kuipers, appellanten sub 5, in de persoon van [gemachtigde], appellante sub 6, vertegenwoordigd door P. Swart, gemachtigde, appellante sub 7, vertegenwoordigd door A. van Ree, gemachtigde, appellanten sub 8, vertegenwoordigd door mr. M.C.C.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam en bijgestaan door ir. prof. R. Ruijssenaars en G.P.M. Beers en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark, vertegenwoordigd door E. Bartlema, portefeuillehouder, en F.J.M. Kloostra, R. van Dam en E. van Wijke, ambtenaren van de gemeente en bijgestaan door E. Egert en R. Veenink. Appellant sub 1 is ter zitting niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de stadsdeelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de stadsdeelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het Barentszplein en omgeving. Het plan beoogt deze omgeving te ontwikkelen en voorziet daartoe onder meer in nieuwbouw aan de noordelijke kop van het Westerdok en herinrichting van het Barentszplein.

2.3. Appellanten sub 3, sub 4, sub 5, sub 6 en sub 7 stellen dat verweerder goedkeuring aan het plan had dienen te onthouden, omdat zij niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van de publicatie van het vaststellingsbesluit.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de bekendmaking van de terinzagelegging. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het bestuur van het stadsdeel in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden of degenen die een zienswijze tegen het ontwerpplan hebben ingebracht persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een vastgesteld bestemmingsplan. Het feit dat appellante sub 4 het dagelijks bestuur heeft verzocht haar schriftelijk in te lichten omtrent het tijdstip waarop het vastgestelde plan ter inzage wordt gelegd, leidt niet tot het oordeel dat aan dat verzoek gevolg had moeten worden gegeven. Voorts is niet gebleken dat daaromtrent van de zijde van het bestuur van het stadsdeel een toezegging van die strekking is gedaan. Overigens is niet gebleken dat appellanten niet op de hoogte waren van het verloop van de procedure, nu zij tijdig bedenkingen hebben ingediend bij verweerder.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dat de bouw van een school en een woontoren aan de noordelijke kop van het Westerdok mogelijk maakt. Zij stellen onder meer dat dit gedeelte van het plan in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 1998, no. E01.95.0148 (BR 1998/936).

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de uitspraak van de Afdeling is tegemoetgekomen, omdat in dit plan het Westerdok niet wordt aangeplempt, maar de school en de woontoren op palen worden gebouwd en omdat is voorzien in twee losstaande gebouwen.

2.4.2. Bij genoemde uitspraak heeft de Afdeling het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan “IJ-oevers” van de gemeenteraad Amsterdam vernietigd en goedkeuring aan dat plan onthouden. In dat plan was aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Uit te werken bestemming (UE1)” toegekend. Deze bestemming voorzag ter plaatse in een maximale bouwhoogte van 25 meter en een maximaal bebouwingspercentage van 55%. De maximale bebouwingsgrens was gelegen buiten de oeverlijn van het Westerdok in het verlengde van de Zoutkeetsgracht. Ten behoeve van de bebouwing kon een deel van het Westerdok worden aangeplempt.

De Afdeling overwoog met betrekking tot de bouwmogelijkheden ter plaatse als volgt: “Blijkens het advies van de Adviseur ten behoeve van de Raad van State vormen het samenstel van Zoutkeetsgracht en Westerdok, het ten opzichte van de Zoutkeetsgracht terug liggen van de bebouwing aan het Barentszplein, en de aanwezigheid van de jachthaven en de lange steiger tezamen een karakteristiek beeld. Gelet hierop en op de twijfels van verweerders of het dichtzetten van het bouwblok aanvaardbaar is en of aanplemping noodzakelijk is om een verbinding tot stand te brengen, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”

2.4.3. In dit plan is op de noordelijke kop van het Westerdok voorzien in de bouw van een school met een hoogte van maximaal 17 meter en de bouw van een woontoren van maximaal 30 meter. De buitengrenzen van deze bestemmingsvlakken komen overeen met de buitengrenzen van het bestemmingsvlak in het bestemmingsplan “IJ-oevers” waaraan goedkeuring is onthouden.

2.4.4. De Afdeling is van oordeel dat het plan onvoldoende tegemoetkomt aan eerdergenoemde uitspraak. Het karakteristieke beeld van dit gebied wordt immers ingrijpend gewijzigd indien de noordelijke kop van het Westerdok, al dan niet op palen, wordt bebouwd zoals in dit plan is voorzien. In de cultuur-historische effectrapportage, opgesteld in opdracht van het stadsdeel door het bureau Monumentenzorg in mei 2001, wordt in dit verband op bladzijde 55 onder meer gesteld dat bij nieuwe bouwprojecten en inrichting van het Barentszplein openheid naar het water en vast houden aan de rooilijnen van de verschillende (historische) structuren van belang zijn. Door de in het plan voorziene nieuwbouw zal de bebouwing aan het Barentszplein echter niet meer terugliggen ten opzichte van de Zoutkeetsgracht, wijzigt het samenstel van Zoutkeetsgracht en Westerdok en verdwijnen de jachthaven en de lange steiger. In dit opzicht verschilt het plan niet in wezenlijke mate van het bestemmingsplan “IJ-oevers”. Daarbij komt dat in de woontoren slechts 25 appartementen zullen worden gerealiseerd, welk aantal op het totaal te realiseren nieuwe woningen zeer gering is. De Afdeling acht het voorts niet aannemelijk dat elders zodanig ernstige bezwaren tegen een brede school bestaan, dat deze in redelijkheid niet op een andere locatie zou kunnen worden verwezenlijkt. In de plantoelichting worden wat dat betreft reeds alternatieven genoemd. Van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden op grond waarvan verweerder het plan ook thans in redelijkheid niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten is geen sprake. Het plan is mitsdien in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door deze plandelen goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen deze plandelen geen behandeling.

2.5. Enkele appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduidingen “steiger, tracé nader te bepalen” op de plankaart. Deze bieden het gemeentebestuur volgens hen te veel ruimte en zijn voor burgers daarom rechtsonzeker.

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat omtrent de aanduidingen “steiger, tracé nader te bepalen” in de voorschriften niets is opgenomen. De betekenis van aanduidingen op de plankaart is echter afhankelijk van hetgeen hieromtrent in de planvoorschriften is bepaald. Indien de voorschriften ter zake niets bepalen, komt aan de aanduidingen geen betekenis toe. Hierdoor wordt een rechtsonzekere situatie in het leven geroepen. In het bijzonder is onzeker wat de minimale en maximale maten zijn waarbinnen de steigers kunnen worden verwezenlijkt.

Gelet op het vorenstaande zijn de aanduidingen “steiger, tracé nader te bepalen” in strijd met de rechtszekerheid. Door deze aanduidingen niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Enkele appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de flexibiliteitsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 5, vijfde lid, artikel 6, vijfde lid en in de artikelen 13 en 15 van de planvoorschriften. Volgens hen zijn deze bepalingen niet objectief begrensd en kunnen ze leiden tot ingrijpende wijzigingen van het plan.

2.6.1. Verweerder stelt dat deze vrijstellingsbepalingen en wijzigingsbepalingen slechts kunnen worden gebruikt voor kleine wijzigingen die weinig invloed op de omgeving hebben.

2.6.2. Artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, luidt als volgt:

”De gronden welke op de plankaart zijn bestemd voor Maatschappelijke voorzieningen (M) zijn aangewezen voor onderwijsvoorzieningen en sociaal-culturele voorzieningen, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, waaronder schoolplein.”

Het vijfde lid van dit artikel luidt als volgt:

”Het Dagelijks Bestuur is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 ten behoeve van de vestiging van kantoren of bedrijven tot een maximum bruto vloeroppervlak van 200 m2.”

2.6.2.1. Artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, luidt als volgt:

”De gronden welke op de plankaart zijn bestemd voor Bedrijven en Kantoren (B+K) zijn aangewezen voor bedrijven en kantoren inclusief de daarbij behorende voorzieningen.”

Het vijfde lid van dit artikel luidt als volgt:

”Het Dagelijks Bestuur is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 ten behoeve van de vestiging van een supermarkt tot een maximum bruto vloeroppervlak van 500 m2.”

2.6.2.2. Artikel 13, van de planvoorschriften, voor zover van belang, luidt als volgt:

”Indien niet op grond van een andere bepaling van deze voorschriften vrijstelling kan worden verleend is het Dagelijks Bestuur bevoegd vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan in dier voege dat:

a. in het plangebied worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de openbare dienst (maximum bouwhoogte 6 m., maximum vloeroppervlakte 15 m2), alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, vrijstaande muren, straatmeubilair alsmede al dan niet ondergrondse afvalcontainers en soortgelijke bouwwerken, antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie (maximum bouwhoogte 40 m’; maximum vloeroppervlakte 40 m2), geluidwerende voorzieningen, duikers en andere waterbouwkundige constructies, mits hiertoe gezamenlijk niet meer dan 1% van de totale oppervlakte van het plangebied wordt aangewend;”

2.6.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996, no. H01.95.0265 (BR 1996, 897), heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit deze bepaling vloeit voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling niet ertoe kan strekken dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Voor het wijzigen van een bestemming is toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het geëigende instrument.

2.6.3.1. De Afdeling overweegt dat met de vrijstellingsbepalingen van het vijfde lid van de artikelen 5 en 6, bestemmingen kunnen worden gewijzigd. Kantoren en bedrijven zijn immers niet aan te merken als maatschappelijke voorzieningen. Een supermarkt is aan te merken als detailhandel en valt niet aan te merken als bedrijven of kantoren.

2.6.3.2. De Afdeling stelt voorts vast dat artikel 13 de mogelijkheid schept om vrijstelling te verlenen ten behoeve van antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie met een maximale bouwhoogte van 40 meter en een maximale vloeroppervlakte van 40 m2. Ter zitting is gebleken dat deze installaties over het algemeen en bij voorkeur worden geplaatst op daken van reeds bestaande gebouwen. De Afdeling overweegt dat zulke installaties derhalve geen dusdanig ingrijpende ruimtelijke en functionele consequenties hebben, dat gesproken kan worden van een afwijking van het plan op niet-ondergeschikte onderdelen. De kans dat een zelfstandige installatie met een hoogte van 40 meter wordt verwezenlijkt acht zij bovendien zeer gering. Ook overigens bevat artikel 13 van de planvoorschriften geen vrijstellingsmogelijkheden die als te vergaand moeten worden beschouwd.

Gelet op het vorenstaande zijn artikel 5, vijfde lid en artikel 6, vijfde lid van de planvoorschriften in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door deze voorschriften niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6.4. Artikel 15 van de planvoorschriften luidt als volgt:

”1. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd overeenkomstig het bepaalde in art. 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en met inachtneming van het bepaalde in art. 16 van deze voorschriften, het bestemmingsplan te wijzigen, voorzover bijzondere omstandigheden die te harer kennis zijn gekomen, hiertoe aanleiding geven en voorzover zulks het belang van een goede ruimtelijke ordening niet schaadt.

2. De in lid 1 bedoelde wijziging kan geschieden, in dier voege, dat de op de kaart dan wel in de voorschriften met betrekking tot de verschillende bestemmingen aangegeven terreinafmetingen, maximale bebouwingspercentages en maximum vloeroppervlakten met ten hoogste 5% worden vergroot.

3. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd overeenkomstig het bepaalde in art. 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en met inachtneming van het bepaalde in art. 16 van deze voorschriften, het bestemmingsplan te wijzigen in dier voege dat binnen de in art. 9 genoemde bestemming Verkeersareaal (Vo) bebouwing is toegestaan ten behoeve van Maatschappelijke voorzieningen, tot een maximum vloeroppervlak van 300 m2.”

2.6.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan, voorzover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

2.6.5.1. Ten aanzien van het derde lid van artikel 15 van de planvoorschriften blijkt uit het vaststellingsbesluit dat deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de toekomstige renovatie of nieuwbouw van het gebouw van de Zuiderspeeltuinvereniging aan het Barentszplein. Volgens het dagelijks bestuur dient deze vereniging alleen op of aan het plein te zijn gehuisvest. Onder deze omstandigheden is het voldoende dat in het plan is bepaald in welke bestemming de bestemming “Verkeersareaal (Vo)” van de gronden aan het Barentszplein kan worden gewijzigd.

2.6.5.2. Ten aanzien van het eerste lid van artikel 15 van de planvoorschriften is de Afdeling evenwel van oordeel dat in onvoldoende mate is bepaald in welke gevallen en onder welke omstandigheden van de wijzigingsbevoegdheid, genoemd in het tweede lid van dit artikel, gebruik kan worden gemaakt. De in het eerste lid opgenomen norm van bijzondere omstandigheden die ter kennis zijn gekomen van het dagelijks bestuur begrenst de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief. Daarnaast heeft de zinsnede “voorzover zulks het belang van een goede ruimtelijke ordening niet schaadt” geen toegevoegde (toetsings)waarde ten opzichte van de in artikel 11, vierde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening neergelegde eis van een goede ruimtelijke ordening.

Gelet op het vorenstaande zijn artikel 15, eerste lid en tweede lid, van de planvoorschriften in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door deze voorschriften niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Appellanten sub 5 en sub 7 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, in zoverre onder het zogenoemde vierde pakhuis aan de Van Diemenstraat een ondergrondse parkeergarage mogelijk wordt gemaakt. Zij vrezen als gevolg hiervan overlast door stijgend grondwater.

2.7.1. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat tijdens het vooroverleg op grond van artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van de kant van het bevoegde waterschap niet is gebleken van bezwaren terzake. Nu appellanten bovendien niet aannemelijk hebben gemaakt dat daadwerkelijk problemen ten aanzien van het grondwater zijn te verwachten, had verweerder hiernaar in redelijkheid geen onderzoek behoeven te verrichten. Bij de uitvoering van het plan zal bovendien door het waterschap worden geadviseerd en zonodig zullen maatregelen worden getroffen om grondwaterproblemen te voorkomen. De uitvoering van het plan is in deze procedure echter niet aan de orde. Het beroep van appellanten sub 5 en sub 7 is in zoverre ongegrond.

2.8. Appellanten sub 5 en sub 7 stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, in zoverre de speelgelegenheid voor de oudere jeugd aan het Barentszplein niet als zodanig is bestemd.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inrichting van het Barentszplein niet in een bestemmingsplan wordt geregeld.

2.8.2. Op het Barentszplein geldt de bestemming “Verkeersareaal (Vo)”. Deze bestemming is ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, onder meer bestemd voor recreatieve voorzieningen. Ingevolge het derde lid van dit artikel geldt voor bebouwing een maximale bouwhoogte van 8 meter. De bestaande voetbalkooi op het plein heeft een hoogte van minder dan 8 meter en past derhalve binnen genoemde bestemming. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheid van een speelgelegenheid hiermee niet op adequate wijze in het plan zou zijn opgenomen. De wijze waarop het plein feitelijk zal worden ingericht, betreft de uitvoering van het plan, welke hier niet aan de orde is. De beroepen van appellanten sub 5 en sub 7 zijn in zoverre ongegrond.

2.9. Appellanten sub 8 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat bij de financiële onderbouwing geen rekening is gehouden met eventuele planschadeclaims, zodat de uitvoerbaarheid in gevaar komt.

2.9.1. Ter zitting is namens appellanten sub 8 gesteld dat de schade met name zal worden veroorzaakt door de bouwmogelijkheden aan de noordelijke kop van het Westerdok. De Afdeling acht het gelet hierop niet aannemelijk dat na vernietiging van de goedkeuring en de onthouding van goedkeuring aan de desbetreffende plandelen door de Afdeling, zoals overwogen onder 2.4.4., de schade ten gevolge van het in stand gebleven gedeelte van het plan nog een zodanige omvang zal hebben, dat het plan hierdoor onuitvoerbaar wordt. Het beroep van appellanten sub 8 is in zoverre ongegrond.

2.10. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 2 en sub 8 te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 7 mei 2002, kenmerk 2001-40944, voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen “Maatschappelijke voorzieningen (M)” en “Woondoeleinden (W)” en de aanduidingen “steiger, tracé nader te bepalen”, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart, en artikel 5, vijfde lid, artikel 6, vijfde lid en artikel 15 eerste en tweede lid, van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde plandelen, aanduidingen en voorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten sub 2 en sub 8 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 647,26. Dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald:

1. aan appellanten sub 2: een bedrag van € 30,26;

2. aan appellanten sub 8: een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 elk voor appellanten sub 1, sub 2, sub 3, en sub 5 en € 218,00 elk voor appellanten sub 4, sub 6, sub 7 en sub 8) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

12-410.