Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200201427/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Delft, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Zuidpoort".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2003/1168

Uitspraak

200201427/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Belangenvereniging Zuidpoort", gevestigd te Delft,

5. de vereniging "Vereniging van Eigenaren "Koreneef in de Veste"", gevestigd te Delft, en anderen,

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellanten sub 7], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Delft, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Zuidpoort".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 januari 2002, kenmerk DRGG/ARB/01/6471A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij faxbericht van 8 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2002, appellant sub 2 bij brief van 18 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2002, appellanten sub 3 bij brief van 20 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2002, appellante sub 4 bij brief van 20 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, appellanten sub 5 bij brief van 21 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2002, appellant sub 6 bij brief van 21 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2002, en appellanten sub 7 bij brief van 22 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij faxbericht van 9 april 2002. Appellanten sub 5 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 22 april 2002. Appellant sub 6 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 april 2002.

Verweerder heeft in zijn brief van 10 juli 2002 meegedeeld dat de inhoud van de ingediende beroepschriften hem geen aanleiding geeft tot het indienen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. R.G. Assies, medewerker van Anker Rechtsbijstand, appellant sub 2, in persoon, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellanten sub 5, vertegenwoordigd door mr. C. Vidor, advocaat te Delft, appellant sub 6, in persoon en bijgestaan door mr. C. Vidor, advocaat te Delft, appellanten sub 7, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door drs. N.A.M. op de Laak, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Delft, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat, en H.J. Grashoff, wethouder van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op gronden aan de zuidzijde van de binnenstad van Delft. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Molsgracht aan de noordzijde, het Achterom aan de westzijde, het Rijn-Schiekanaal aan de zuidzijde en het Oosteinde aan de oostzijde.

Met het plan wordt de ontwikkeling beoogd van een volwaardig winkel-, uitgaans- en woongebied in aansluiting op de bestaande binnenstad.

Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Allereerst stellen [appellanten sub 3], de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] dat de inspraak bij de voorbereiding van het plan op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze steunt.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Ten aanzien van de genoemde beroepsgronden doet geen van deze omstandigheden zich voor.

De beroepen van [appellanten sub 3], de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Ter zitting is gebleken dat [appellanten sub 7] hun beroepsgronden ten aanzien van "veld 10", "veld 12" en met betrekking tot de plataan voor de [locatie] niet handhaven. Voorts is ter zitting gebleken dat zij hun beroepsgronden dat alle zogenoemde "velden" in het plan ten onrechte als fragmenten zijn gepresenteerd en dat het grondvlak van het kopgebouw ter plaatse van de Asvest dient te worden vergroot om hier een zelfstandige woning mogelijk te maken niet handhaven.

2.5. Voor zover de Belangenvereniging Zuidpoort aanvoert dat de ingediende zienswijzen nauwelijks tot wijziging van het plan hebben geleid, omdat de gemeente gebonden was aan een contract met een projectontwikkelaar, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan de grenzen van zijn bij artikel 10 van de WRO verleende bevoegdheid heeft overschreden door zich bij die vaststelling niet uitsluitend te richten op de behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening.

In deze beroepsgrond ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

2.6. Voorts stellen [appellanten sub 3]dat wat betreft de bebouwing ten onrechte is gekozen voor een strakke stedelijke invulling met strakke, rechte, hoge muren. Een speelsere invulling, in aansluiting op de rijke variatie in de binnenstad is hier passender, aldus appellanten, die ook de straatprofielen te nauw vinden.

2.6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze beroepsgronden - nu de straatprofielen en de invulling van de bebouwing niet zijn opgenomen in het voorliggende globale bestemmingsplan - betrekking hebben op het stedenbouwkundige inrichtingsplan. Deze beroepsgronden kunnen hier niet aan de orde komen aangezien in deze procedure uitsluitend de beslissing omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan kan worden beoordeeld.

2.7. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)4", dat het zogenoemde paviljoen betreft, dat een maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter en - na vrijstelling - van 11 meter heeft. Hij acht het stedenbouwkundige argument voor de hoogte van het paviljoen onvoldoende om de aantasting van het woongenot van een aantal bewoners van de appartementen van het Haakpand te rechtvaardigen.

2.7.1. De Vereniging van Eigenaren "Koreneef in de Veste" en anderen (verder: de vereniging en anderen) en [appellant sub 6] stellen dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring aan dit plandeel ten onrechte uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag heeft gelegd. Zij voeren aan dat bebouwing ter plaatse zonder meer moet worden uitgesloten, omdat mag worden vertrouwd op het voorheen geldende plan waarin is opgenomen dat binnen 30.5 meter voor het Haakpand geen bebouwing mag worden opgericht.

2.7.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat vanwege veranderde maatschappelijke inzichten aan het gebied ten zuiden van het Haakpand nieuwe functies worden toegedacht. Hierbinnen zou een paviljoen eventueel een functie kunnen vervullen, aldus verweerder. Ter zitting is gebleken dat in dit verband moet worden gedacht aan een functie die wat betreft vorm en hoogte aansluit bij de detailhandelsfunctie waarin de begane grond van het Haakpand voorziet. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Voor zover appellanten betogen dat bebouwing ter plaatse zonder meer moet worden uitgesloten, omdat in het voorheen geldende plan is opgenomen dat binnen 30.5 meter voor het Haakpand geen bebouwing kan worden opgericht, overweegt de Afdeling dat aan een bestaande ruimtelijke situatie dan wel aan een voorheen geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend, daar het de gemeenteraad in beginsel vrij staat een bestemmingsregeling op grond van veranderde planologische inzichten te wijzigen. Voorts is niet gebleken van toezeggingen van gemeentewege terzake.

2.7.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag kunnen leggen aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel.

De beroepen van de vereniging en anderen en [appellant sub 6] zijn wat betreft dit onderdeel dan ook ongegrond.

2.8. Verder stelt [appellant sub 2] dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)1" en "*)2", waar een maximale bouwhoogte van 22 meter en - na vrijstelling - van 23 meter is toegestaan. Het betreft het zogenoemde "veld 7", ten westen van de Kruisstraat, en het zogenoemde "veld 5", ten noorden van de Zuidwal. Hij voert aan dat deze bouwhoogtes niet aansluiten bij de bouwhoogtes van de omliggende bebouwing. Ook wijst hij erop dat in Delft in het verleden tot maximaal 18 meter is gebouwd. Met de hier toegestane maximale bouwhoogtes wordt afbreuk gedaan aan deze cultuurhistorisch unieke hoogtelijn, aldus appellant, die tevens stelt dat verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op ondeugdelijke argumenten en op onjuiste voorlichting van de zijde van de gemeente.

[appellanten sub 3]stellen meer specifiek dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)2", dat het "veld 5" betreft, voor zover hier een maximale bouwhoogte van 19 meter of meer is toegestaan. Zij vrezen als gevolg hiervan schaduwhinder en een aantasting van hun uitzicht en persoonlijke levenssfeer.

[appellanten sub 7] stellen in het bijzonder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)1", dat het "veld 7" betreft, voor zover hier een maximale bouwhoogte van 19 meter is toegestaan. Deze maximaal toegestane bouwhoogte - zo stellen zij - sluit niet aan bij de hoogte van de omliggende bebouwing en dient hier maximaal 16 meter te bedragen. Zij wijzen er tevens op dat een uitgezette beleidslijn van de Provinciale Planologische Commissie (verder: PPC) niet is gevolgd.

De vereniging en anderen en [appellant sub 6] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", voor zover het mogelijk is om binnen een afstand van 30.5 meter voor het Haakpand bebouwing op te richten. Dit is - zo stellen zij - in strijd met een toezegging die is opgenomen in het voorheen geldende plan. Zij wijzen er tevens op dat deze ruimte al 26 jaar onbebouwd is gebleven en dat bebouwing binnen deze afstand zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van zowel de bewoners van de appartementen van het Haakpand als de gebruikers van de winkelruimten van het Haakpand en wijzen in dit verband op aantasting van uitzicht en van persoonlijke levenssfeer. Ook zal bebouwing binnen deze afstand de essentie van het Haakpand geweld aan doen, aldus de vereniging en anderen en [appellant sub 6].

2.8.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", met uitzondering van het plandeel met deze bestemming dat nader is aangeduid als "*)4", in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft onder meer overwogen dat de bouwhoogtes en bouwmassa's acceptabel zijn gelet op de hoogte en massa van de omliggende bebouwing. Aan een geldend plan dan wel aan een feitelijke situatie kunnen voorts geen blijvende rechten worden ontleend, aldus verweerder.

2.8.2. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, gelden voor het bouwen op de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)" de aanduidingen op de kaart.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, in samenhang met de plankaart bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte voor de gronden binnen deze bestemming, voor zover nader aangeduid als "*)1" en "*)2", 19 meter.

Blijkens de plankaart is een deel van de gronden ten oosten van het theater aan de Zuiderstraat nader aangeduid als "(20%)22". Dit betreft de gronden waaraan de nadere aanduiding "*)1" is toegekend, het zogenoemde "veld 5". Ter plaatse van deze aanduiding mag ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder e, de bouwhoogte maximaal 22 meter bedragen over 20% van het betreffende bouwvlak.

Voorts is blijkens de plankaart een deel van de gronden ten westen van de Kruisstraat nader aangeduid als "(35%)22". Dit betreft de gronden waaraan de nadere aanduiding "*)2" is toegekend, het zogenoemde "veld 7". Ter plaatse van deze aanduiding mag de bouwhoogte ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder c, maximaal 22 meter bedragen over 35% van het betreffende bouwvlak.

Ook is blijkens de plankaart een deel van de gronden ten westen van de Kruisstraat en ten oosten van het theater aan de Zuiderstraat nader aangeduid als "(80%)22". Ter plaatse van deze aanduiding mag de bouwhoogte ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder d, maximaal 22 meter bedragen over 80% van het betreffende bouwvlak.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om vrijstelling te verlenen van de in het plan opgenomen maten waarbij geldt dat hoogtematen met maximaal 1 meter mogen worden verhoogd.

2.8.3. Uit het deskundigenbericht blijkt dat aan de Zusterlaan ten zuiden van het bestreden plandeel een studentenhotel aanwezig is met een hoogte van ongeveer 18 meter en een appartementencomplex met een hoogte die varieert tussen 12 en 18 meter. Ten westen van het bestreden plandeel is een theater aanwezig, waarvan de toneeltoren een hoogte heeft van ruim 20 meter. Voor het appartementencomplex ten zuiden van de Ezelsveldlaan bedraagt de bouwhoogte blijkens het deskundigenbericht overwegend 18 meter. De maximaal toegestane bouwhoogtes binnen het bestreden plandeel van 19 meter en - voor een gedeelte van de gronden - van 22 meter en - na vrijstelling - van 23 meter sluiten derhalve aan bij de reeds bestaande bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied. Dit is blijkens de plantoelichting een bewuste keuze van de gemeenteraad geweest verband houdend met het feit dat het plangebied uit historisch oogpunt niet tot de binnenstad behoort, maar juist aan de rand van de binnenstad ligt, waar de bebouwing - in verband met de wens om hier grootschaliger functies te plaatsen dan in de binnenstad - hoger is dan de bebouwing in de binnenstad zelf. Deze gemeentelijke keuze komt de Afdeling mede gelet op het deskundigenbericht niet onredelijk voor. In verband hiermee komt aan de stelling van [appellant sub 2] dat met de hier toegestane maximale bouwhoogtes afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorisch unieke hoogtelijn van Delft bij de afweging van belangen geen doorslaggevende betekenis toe.

Blijkens de stukken heeft de PPC in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder: Bro) bij de voorbereiding van het plan aanbevolen dat in de toelichting meer aandacht wordt besteed aan de zorgvuldige inpassing in de omgeving van het plangebied zoals het beschermd stadsgezicht en het zicht vanaf de Oostsingel op Delft. Tevens is geadviseerd deze elementen op te nemen in een beschrijving in hoofdlijnen. Het gemeentebestuur heeft hierop geantwoord dat vanaf de Oostsingel geen zicht op Zuidpoort bestaat. Voorts is de aard van het plangebied zodanig dat geen behoefte bestaat aan een beschrijving in hoofdlijnen, aldus het gemeentebestuur. Verweerder kan bij zijn besluit omtrent goedkeuring afwijken van een stellingname van de PPC over het voor-ontwerp-plan. In dit verband is van belang dat de grens van het beschermd stadsgezicht blijkens de plankaart ten noorden van het bestreden plandeel ligt. Naar het oordeel van de Afdeling moet ervan worden uitgegaan dat de begrenzing van het beschermd stadsgezicht zodanig is gekozen als nodig is voor handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. Voorts heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg bij het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Bro laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Bovendien blijkt uit de stukken dat het zicht vanuit het plangebied op de karakteristieke torens van de Nieuwe Kerk en de Maria van Jesse Kerk behouden zal blijven. In verband hiermee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zich als gevolg van de maximaal toegestane bouwhoogten in het bestreden plandeel geen ernstige aantasting van het beschermd stadsgezicht zal voordoen.

Verder is blijkens de plankaart een deel van de gronden binnen 30.5 meter voor het Haakpand nader aangeduid als "(z)". Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder a, mogen hier boven peil uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat ten hoogste 25 m2 aan gebouwen met een bouwhoogte van 4 meter is toegestaan ten behoeve van stijgpunten. Voorts geldt ingevolge artikel 3, vijfde lid, in samenhang met de plankaart voor een deel van de gronden - die zich ten zuidoosten van het Haakpand bevinden binnen 30.5 meter van het Haakpand - een maximaal toegestane bouwhoogte van 19 meter. Aan deze gronden is de nadere aanduiding "(35%)22" toegekend. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder c, mag hier de bouwhoogte 22 meter bedragen over 35% van het betreffende bouwvlak.

Blijkens de plankaart bedraagt de kortste afstand tussen de appartementen van [appellanten sub 3] aan de [locaties] en de grens van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)2", ongeveer 17 meter. Het uitzicht van [appellanten sub 3] zal als gevolg van de maximaal toegestane bouwhoogtes in dit plandeel worden aangetast. In dit verband is echter van belang dat het gebied tot de rand van de binnenstad behoort waar in het algemeen minder uitzicht bestaat. Voorts merkt de Afdeling op dat binnen dit plandeel ingevolge het voorheen geldende plan een bouwhoogte van maximaal 15 meter was toegestaan. Gelet op de in het bestreden plandeel opgenomen maximaal toegestane bouwhoogtes en de afstand hiervan tot het Haakpand is niet aannemelijk gemaakt dat het uitzicht van de bewoners van de appartementen van het Haakpand en de gebruikers van de winkelruimten van het Haakpand in ernstige mate wordt aangetast.

Verder blijkt uit de in opdracht van de gemeente Delft gemaakte bezonningstekeningen dat de appartementen van het Haakpand wat betreft de bezonningssituatie in vergelijking met de situatie onder het voorheen geldende plan er niet op achteruit gaan en dat de appartementen van [appellanten sub 3]slechts in de winter - en dan met name in december - er enigszins op achteruit gaan. Verweerder heeft zich in verband hiermee op het standpunt kunnen stellen dat appellanten als gevolg van de maximaal toegestane bouwhoogtes in "veld 5" geen ernstige schaduwhinder zullen ondervinden.

Aan een bestaande ruimtelijke situatie dan wel aan een voorheen geldend plan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend, daar het de gemeenteraad in beginsel vrij staat een bestemmingsregeling op grond van veranderde planologische inzichten te wijzigen. Voorts is niet gebleken van toezeggingen van gemeentewege terzake.

Tenslotte stelt de Afdeling vast dat het Haakpand in het plan als zodanig is bestemd. Voorts is van belang de afstand van de voorziene bebouwing tot het Haakpand en dat verweerder zich gelet op het vorenstaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximaal toegestane bouwhoogtes in het bestreden plandeel geen ernstige gevolgen hebben. Mede in verband hiermee heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op ondeugdelijke argumenten en onjuiste voorlichting van de zijde van de gemeente.

2.9. De vereniging en anderen en [appellanten sub 7] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", met uitzondering van het plandeel met deze bestemming dat nader is aangeduid als "*)4", voor zover dit voorziet in horecadoeleinden. Als gevolg van de voorziene horeca - en vooral in verband met de voorziene omvang hiervan - vrezen de vereniging en anderen geluidsoverlast, vandalisme en verstoring van de nachtrust. [appellanten sub 7] menen dat de voorziene horeca tot een aantasting van de leefbaarheid en veiligheid zal leiden.

[appellanten sub 3] stellen meer specifiek dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", nader aangeduid als "*)2", waar een bioscoop is voorzien. Zij voeren aan dat de noodzaak van de voorziene bioscoop met deze omvang niet is aangetoond.

Voorts stellen [appellanten sub 3], de Belangenvereniging Zuidpoort, de vereniging en anderen en [appellanten sub 7] in het bijzonder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", met de subbestemming "CId", nader aangeduid als "*)2", ten oosten van het theater aan de Zuiderstraat, waar een discotheek is voorzien.

De Belangenvereniging Zuidpoort stelt dat de noodzaak van de voorziene discotheek niet is aangetoond. De voorziene discotheek zal afbreuk doen aan het gewenste culturele element van het plan, aldus appellante, die - op termijn - tevens een groei van de voorziene discotheek vreest. Voorts vrezen al deze appellanten dat de voorziene discotheek hun woon- en leefklimaat zal aantasten. In dit verband wijzen de Belangenvereniging Zuidpoort, de vereniging en anderen en [appellanten sub 3]op een toeneming van de geluidsoverlast en vrezen de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] voor onvoldoende sociale veiligheid. [appellanten sub 7] stellen in dit verband dat in de plantoelichting ten onrechte geen handhavingsparagraaf is opgenomen.

2.9.1. De gemeenteraad voert aan dat in de Delftse binnenstad onder meer uitgaansvoorzieningen voor alle leeftijdscategorieƫn aanwezig zijn. Het toevoegen van het plangebied aan de Delftse binnenstad betekent dat ook hier uitgaansvoorzieningen mogelijk zijn, aldus de gemeenteraad. De verschillende functies, zoals de voorziene discotheek, de voorziene bioscoop en het theater zullen - zo stelt de gemeenteraad - elkaar versterken.

2.9.2. Verweerder heeft onder meer overwogen dat de voorziene horeca volkomen logisch is als aansluiting op de horeca in de bestaande binnenstad en dat deze niet tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten zal leiden. Hij stelt voorts dat de noodzaak van de voorziene bioscoop en discotheek in voldoende mate is aangetoond.

2.9.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", voor zover hier relevant, bestemd voor horeca behorende tot categorie I en II.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1, onder 22, wordt onder "horeca I" verstaan: een horecabedrijf met een beperkte invloed op het woon- en werkklimaat van de omgeving dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van drank en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden en dat alleen overdag en 's avonds geopend is, waaronder in ieder geval worden verstaan restaurants, lunchrooms, snackbars en hiermee gelijk te stellen inrichtingen of bedrijven.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1, onder 23, wordt onder "horeca II" verstaan: een horecabedrijf met een (tamelijk) grote invloed op het woon- en werkklimaat van de omgeving dat geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak in combinatie met het verstrekken van drank en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden en dat gedurende de dag, avond en nacht geopend is, met dien verstande dat discotheken alleen zijn toegestaan als de gronden daartoe expliciet zijn bestemd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)" uitsluitend ter plaatse van de subbestemming "CId" bestemd voor horeca behorende tot categorie II in de vorm van een discotheek.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, voor zover hier relevant, gelden op de gronden voorzien van de nadere aanduiding "*)1" tot en met "*)5" de volgende specifieke bepalingen met betrekking tot de horecafunctie:

a. op de gronden voorzien van de nadere aanduiding "*)1" geldt dat uitsluitend horeca behorende tot categorie I tot een oppervlak van ten hoogste 600 m2 is toegestaan;

b. op de gronden voorzien van de nadere aanduiding "*)2" geldt dat:

- horeca behorende tot categorie II niet is toegestaan op gronden die direct grenzen aan de gronden die zijn voorzien van de aanduiding "winkelplein";

- het totale oppervlak aan horeca behorende tot categorie I en II maximaal 900 m2 mag bedragen, waarvan maximaal 300 m2 ten behoeve van de discotheek mag worden gebruikt;

c. op de gronden voorzien van de nadere aanduiding "*)3" geldt dat:

- horeca behorende tot categorie II niet is toegestaan op gronden die direct grenzen aan de gronden die zijn voorzien van de aanduiding "winkelplein";

- het totale oppervlak aan horeca behorende tot categorie I en II maximaal 200 m2 mag bedragen;

e. op de gronden voorzien van de nadere aanduiding "*)5" geldt dat het oppervlak aan horeca behorende tot categorie I maximaal 100 m2 mag bedragen.

2.9.4. Uit de door ZKA Markt & Beleid gemaakte rapportage "Quick scan realiteitsgehalte multiplex Delft Zuidpoort" van 17 november 2000 blijkt dat een kwaliteitsimpuls van het bioscoopaanbod noodzakelijk is om de positie van Delft in de regio te versterken.

Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder niet van de juistheid van de uitkomsten van deze rapportage mocht uitgaan.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak van de voorziene bioscoop in voldoende mate is aangetoond.

2.9.5. Verder heeft het bureau Marktplan B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de horecavoorzieningen in Delft. Hieruit blijkt dat de horeca in Delft flink moet uitbreiden om levensvatbaar te blijven en te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar horecavoorzieningen in Delft.

Voorts blijkt uit de door ZKA Markt & Beleid gemaakte rapportage "Quick scan Haalbaarheid Discotheek Zuidpoort Delft" dat het huidige aanbod in Delft bestaande uit twee discotheken met een totale oppervlakte van tussen 700 en 900 m2 achterblijft bij het potentieel vanuit de lokale vraag. Er is potentieel ruimte voor 1.800 tot 2.000 m2 extra voor discotheken. Het geraamde markt-/omzetpotentieel is voldoende groot voor de vestiging van een nieuwe discotheek, aldus de rapportage.

Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder niet van de juistheid van de uitkomsten van deze rapportage mocht uitgaan.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak van de voorziene discotheek, die ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften een oppervlakte van maximaal 300 m2 mag hebben, in voldoende mate is aangetoond. Hij heeft gelet hierop in aanmerking kunnen nemen dat de voorziene discotheek als functie een aanvulling vormt op de cultuur in Delft.

2.9.6. Voor zover de Belangenvereniging Zuidpoort - op termijn - een groei van de voorziene discotheek vreest, stelt de Afdeling vast dat ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften op de gronden die voorzien zijn van de nadere aanwijzing "CI*)2" maximaal 300 m2 ten behoeve van de discotheek mag worden gebruikt. De planvoorschriften voorzien derhalve niet in een vergroting van de omvang van de discotheek.

2.9.7. Verder overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan het juridisch-planologisch kader biedt, waarin ook de mogelijke gevolgen voor het milieu dienen te worden meegewogen. Ten aanzien van de voorziene horeca inclusief de discotheek kon verweerder er bij het nemen van het bestreden besluit, gezien de hem ter beschikking staande informatie, vanuit gaan dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten. In dit verband heeft verweerder terecht in aanmerking genomen de voorziene beperking van de oppervlakte van de discotheek tot 300 m2 en het karakter van de omgeving waar onder meer winkels, een parkeerterrein en een theater aanwezig zijn. Voorts blijkt uit de stukken dat van de zijde van de gemeenteraad beheersmaatregelen zullen worden getroffen om geluidsoverlast tegen te gaan.

Ingevolge artikel 1, onder 22, van de planvoorschriften is horeca behorende tot categorie I alleen overdag en 's avonds geopend, terwijl ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1, onder 23, horeca behorende tot categorie II gedurende de dag, avond en nacht geopend is. De gemeenteraad wijst er blijkens de stukken in dit verband op dat de exacte openingstijden in de exploitatieverordening zijn opgenomen en op basis van deze verordening zullen worden gehandhaafd.

Verder is niet aannemelijk gemaakt dat eventuele overlast van de bezoekers van de horecagelegenheden inclusief de discotheek niet met afdoende maatregelen in het kader van handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan. De handhaving van de openbare orde is geen aspect dat in een bestemmingsplan kan worden geregeld.

Gelet op het vorenstaande en mede gelet op het deskundigenbericht, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zich als gevolg van de voorziene horeca inclusief de discotheek geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten zal voordoen.

2.9.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (C I)", met uitzondering van het plandeel met deze bestemming dat nader is aangeduid als "*)4", niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan bedoeld plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2] is geheel en de beroepen van [appellanten sub 3], [appellanten sub 7], de Belangenvereniging Zuidpoort, de vereniging en anderen en [appellant sub 6] zijn wat betreft dit onderdeel ongegrond.

2.10. Verder stellen [appellanten sub 3] en de Belangenvereniging Zuidpoort dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", dat de kruising van de Asvest en de Zuidwal betreft. De Belangenvereniging Zuidpoort wijst erop dat hier vanwege de aanwezigheid van de ingang van de voorziene parkeergarage langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) en snel verkeer (bussen en auto's) elkaar moet kruisen. Dit zal tot onveilige verkeerssituaties leiden op de voor het doorgaande verkeer belangrijke Zuidwal, aldus beide appellanten.

2.10.1. Verweerder heeft geen reden gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.10.2. Blijkens de plankaart is aan gronden ten oosten van de kruising van de Asvest en de Zuidwal de nadere aanduiding "ingang parkeergarage" toegekend. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder b, van de planvoorschriften is het uitsluitend binnen een straal van 10 meter vanuit deze nadere aanduiding toegestaan de inrit van een parkeergarage te bouwen.

De voorziene parkeergarage zal worden ontsloten op de Zuidwal, die blijkens de plantoelichting deel uitmaakt van de stedelijke hoofdwegenstructuur die Delft verbindt met de omliggende gemeenten.

Aan de Zuidwal is blijkens de plankaart de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" toegekend. Ingevolge artikel 20, eerste lid, zijn de gronden met deze bestemming, voor zover hier relevant, bestemd voor wegen met maximaal 2 x 2 doorgaande rijstroken, opstelstroken en busstroken daaronder niet begrepen, fiets- en voetpaden, openbaar vervoervoorzieningen, bermen, geluidswerende voorzieningen en daarbij behorende beplantingen en parkeervoorzieningen. Gelet op dit planvoorschrift en in verband met de grootte van het bestreden plandeel heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voldoende mogelijkheden worden geboden om - in het kader van de uitvoering van het plan - een veilige afwikkeling van verkeersstromen bij de ingang van de parkeergarage te verwezenlijken.

2.10.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan bedoeld plandeel.

De beroepen van de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 3] zijn wat betreft dit onderdeel ongegrond.

2.11. [appellante sub 1], de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)", dat tussen de Ezelsveldlaan en de Zuidergracht ligt en het zogenoemde "veld 9" betreft.

De Belangenvereniging Zuidpoort voert aan dat de noodzaak van het hier toegestane bouwvolume niet is aangetoond. Voorts is - zo stelt zij - bij de stedenbouwkundige onderbouwing het beschermd stadsgezicht niet betrokken en wordt de rechtszekerheid van met name de woonbootbewoners aangetast doordat de gemeente beloftes niet nakomt. De maximaal toegestane bouwhoogtes en het maximum bebouwingspercentage zijn tevens in strijd met de belangen van omwonenden, bewoners van het Museumhof en woonbootbewoners, aldus appellante, die in dit verband wijst op een aantasting van uitzicht en persoonlijke levenssfeer en op schaduwhinder. Voor de maximaal toegestane bouwhoogtes langs de Zuidergracht moet aansluiting worden gezocht bij de hoogtes van de woonboten, die in de Zuidergracht een ligplaats hebben, aldus de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellante sub 1].

[appellanten sub 7] hebben blijkens hun beroepschrift slechts bezwaar tegen dit plandeel voor zover het de maximaal toegestane bouwhoogte betreft. Zij menen dat de bouwhoogte aan de Ezelsveldlaan maximaal 15 meter dient te bedragen en dat de bouwhoogte aan de Zuidergracht maximaal 6 meter - met uitschieters tot 9 meter - dient te bedragen.

2.11.1. Verweerder heeft geen reden gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft onder meer overwogen dat de hier toegestane bouwhoogtes en bouwmassa's acceptabel zijn en dat het effect van het plan op het beschermd stadsgezicht zeer gering zal zijn.

2.11.2. Ingevolge artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften in samenhang met de plankaart geldt voor een deel van de gronden met de bestemming "Woongebied (WG)" dat direct ten zuiden van de Zuidergracht ligt, een maximaal toegestane bouwhoogte van 12 meter. Ingevolge artikel 10, derde lid, in samenhang met de plankaart bedraagt het maximale bebouwingspercentage voor deze gronden 40%.

Voor een ander deel van de gronden met deze bestemming tussen de Zuidergracht en Ezelsveldlaan geldt ingevolge dit artikellid een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter. De overige gronden met deze bestemming tussen de Zuidergracht en Ezelsveldlaan hebben ingevolge artikel 10, derde lid, in samenhang met de plankaart een maximaal toegestane bouwhoogte van 18 meter. Het maximale bebouwingspercentage bedraagt voor deze gronden 70%.

2.11.3. Blijkens de plankaart ligt ten noorden van het bestreden plandeel de Zuidergracht. Ten noorden daarvan is een groenstrook aanwezig. Ten noorden van deze groenstrook ligt de Zuiderstraat. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de hoogte van de bebouwing ten noorden van de Zuiderstraat varieert tussen ongeveer 8 en 12 meter. De maximaal toegestane bouwhoogte van 12 meter voor de gronden met de bestemming "Woongebied (WG)" die direct ten zuiden van de Zuidergracht liggen, sluit aan bij deze reeds bestaande bebouwing. Blijkens het deskundigenbericht ligt ten zuiden van de Ezelsveldlaan een appartementencomplex dat een bouwhoogte van overwegend 18 meter heeft. De maximaal toegestane bouwhoogte van 18 meter voor de gronden ten noorden van de Ezelsveldlaan sluit aan bij deze reeds bestaande bebouwing.

Voorts behoort het plangebied zoals hiervoor is overwogen blijkens de plantoelichting uit historisch oogpunt niet tot de binnenstad, maar ligt juist aan de rand hiervan. Uit de stukken blijkt dat een belangrijk kenmerk van de ruimtelijke structuur van de binnenstad bestaat uit de lineair lopende grachten met smalle verbindende straten en stegen die gesloten bebouwingsvlakken ontsluiten. Voorts zijn de bebouwingsvlakken in de binnenstad blijkens de stukken nagenoeg rechthoekig en geheel benut.

Uit de plantoelichting blijkt verder dat in Delft sprake is van een periode met een grotere bouwproductie die bovendien wordt gekenmerkt door een algehele schaalvergroting. De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de daarmee gepaard gaande grotere bouwvolumen en hogere bebouwing aan de rand van de binnenstad te plaatsen. Deze gemeentelijke keuze komt de Afdeling, zoals hiervoor is overwogen, mede gelet op het deskundigenbericht niet onredelijk voor. De Afdeling volgt dan ook niet de stelling van de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellante sub 1] dat voor de maximaal toegestane bouwhoogtes langs de Zuidergracht aansluiting moet worden gezocht bij de hoogtes van de woonboten die in de Zuidergracht een ligplaats hebben.

Blijkens de plankaart ligt ten noorden van het bestreden plandeel de grens van het beschermd stadsgezicht. Naar het oordeel van de Afdeling moet - zoals hiervoor is overwogen - ervan worden uitgegaan dat de begrenzing van het beschermd stadsgezicht zodanig is gekozen als nodig is voor handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. Voorts heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg bij het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Bro laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Bovendien blijkt uit de stukken dat het zicht vanuit het plangebied op de karakteristieke torens van de Nieuwe Kerk en de Maria van Jesse Kerk behouden zal blijven. In verband hiermee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zich als gevolg van de maximaal toegestane bouwhoogtes en bebouwingspercentages in het bestreden plandeel geen ernstige aantasting van het beschermd stadsgezicht zal voordoen.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van de gemeente verwachtingen zijn gewekt met betrekking tot de in het plan opgenomen maximaal toegestane bouwhoogtes en maximale bebouwingspercentages.

Ook kunnen, zoals hiervoor is overwogen, aan een bestaand uitzicht geen blijvende rechten worden ontleend. Blijkens de plankaart bedraagt de kleinste afstand tussen het Museumhof en het dichtstbijzijnde bebouwingsvlak ongeveer 15 meter. Blijkens de plankaart bedraagt de afstand tussen het dichtstbijzijnde bebouwingsvlak binnen het bestreden plandeel en het plandeel met de bestemming, "Water (WA)", met de subbestemming "WAwl", welke gronden ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften tevens bestemd zijn voor woonschepenligplaatsen, ongeveer 10 meter. Het uitzicht van de bewoners van het Museumhof en van de woonbootbewoners zal bij verwezenlijking van het plan worden aangetast. In dit verband is echter van belang dat het gebied tot de rand van de binnenstad behoort waar in het algemeen minder uitzicht bestaat.

Verder blijkt uit de bezonningstekeningen dat de bewoners van het Museumhof wat betreft de bezonningssituatie in vergelijking met de situatie onder het voorheen geldende plan slechts in de zomer na 18.00 uur er enigszins op achteruit gaan. Wat betreft de woonbootbewoners, blijkt uit de bezonningstekeningen dat zij er in het voor- en najaar en - enigszins - in de zomer op achteruit gaan. De Afdeling merkt hierbij echter op dat met het maximale bebouwingspercentage van 40% voor gronden, die direct ten zuiden van de Zuidergracht liggen, over 60% van de lengte van het bestreden plandeel bebouwing zal ontbreken. Verweerder heeft zich in verband met het vorenstaande op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de maximaal toegestane bouwhoogtes in het bestreden plandeel de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van het Museumhof en de woonbootbewoners niet in ernstige mate zal worden aangetast.

2.11.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan bedoeld plandeel.

De beroepen van Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] en [appellante sub 1] zijn wat betreft dit onderdeel ongegrond.

2.12. Voorts stelt [appellante sub 1] dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)", dat het zuidelijke deel van de Zuidergracht betreft.

Zij voert aan dat haar [woonschip], dat hier al jaren een ligplaats heeft, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en met de door het gemeentebestuur gewekte verwachtingen, aldus appellante. Zij stelt voorts dat eventuele verplaatsing van het woonschip naar het noordelijke deel van de Zuidergracht zal leiden tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. In dit verband wijst zij op verlies van opslagruimte, verslechtering van de bezonningssituatie en op waardevermindering van het woonschip.

2.12.1. Verweerder heeft geen reden gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft onder meer overwogen dat de woonschepen aan het zuidelijke deel van de Zuidergracht zijn wegbestemd om het uitzicht op het water van de Zuidergracht en de Oostpoort weer te herstellen.

2.12.2. In geding is of het bestaande gebruik van het woonschip terecht niet als zodanig is bestemd.

De Afdeling overweegt dat legaal bestaand gebruik als zodanig moet worden bestemd, tenzij een andere bestemming planologisch is gerechtvaardigd en aannemelijk is dat deze andere bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat in de huidige situatie aan beide zijden van de Zuidergracht ligplaatsen ten behoeve van woonschepen aanwezig zijn, waardoor het uitzicht op het water van de Zuidergracht en de Oostpoort aanzienlijk belemmerd wordt. Om dit uitzicht weer te herstellen, is ervoor gekozen om de woonschepen die in het zuidelijke deel van de Zuidergracht een ligplaats hebben, niet als zodanig te bestemmen. In het zuidelijke deel zijn blijkens de stukken sinds 1978 vijf ligplaatsen met steiger ten behoeve van woonboten aanwezig. Een van deze ligplaatsen wordt ingenomen door het woonschip van appellante.

Voor zover appellante betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat haar ligplaats ter plaatse gehandhaafd zou blijven, overweegt de Afdeling zoals zij hiervoor heeft gedaan dat de gemeenteraad de bevoegdheid toekomt om op grond van veranderde planologische inzichten andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vast te stellen. Voorts is niet gebleken van toezeggingen van gemeentewege terzake.

Blijkens de plankaart is aan het noordelijke deel van de Zuidergracht, naast de bestemming "Water (WA)", tevens de subbestemming "WAwl" toegekend. Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze subbestemming tevens bestemd voor woonschepenligplaatsen.

De gemeente heeft blijkens de stukken enkele woonschepen, die in het noordelijke deel van de Zuidergracht een ligplaats hadden, aangekocht in verband met het voornemen om hier ruimte te creƫren voor de verplaatsing van onder meer het woonschip van appellante.

In verband met dit voornemen is van de zijde van het gemeentebestuur overleg met appellante gestart over verplaatsing van haar woonschip naar het noordelijke deel van de Zuidergracht.

Overigens blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de gemeente ter voorkoming van een verslechtering van de bezonningssituatie bereid is kosten te dragen voor aanpassing van het woonschip.

2.12.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan bedoeld plandeel.

Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.13. Tenslotte kan [appellante sub 1] zich niet met de goedkeuring van het plan verenigen, voor zover daarin geen afmetingen van woonschepen zijn opgenomen. Ook ontbreekt in het plan ten onrechte een bepaling met daarin de mogelijkheden voor vervanging van woonschepen, aldus appellante.

2.13.1. Verweerder heeft overwogen dat de woonschepen op een juiste wijze in het plan zijn geregeld.

2.13.2. Uit de stukken blijkt dat om redenen van flexibiliteit ervoor is gekozen om het exacte aantal woonschepen - en daarmee de afmetingen daarvan - niet in het plan vast te leggen. De uiteindelijke beperking van het aantal vloeit voort uit de omvang van de gronden met deze bestemming, aldus de gemeenteraad. De Afdeling acht dit niet onredelijk en ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder opneming van een regeling voor vervanging van woonschepen in het bestemmingsplan had moeten verlangen.

2.13.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 3], de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] niet-ontvankelijk voorzover het betreft hun bezwaar dat de de inspraak bij de voorbereiding van het plan op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], de vereniging en anderen en [appellant sub 6] geheel en de beroepen van [appellant sub 3], de Belangenvereniging Zuidpoort en [appellanten sub 7] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003.

176-418.