Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
200200757/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 mei 2001, het bestemmingsplan "Tusken Moark en Ie" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/237 met annotatie van EvdL

Uitspraak

200200757/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden,

2. de commanditaire vennootschap "C.V. Blitsaerd", gevestigd te Leeuwarden,

3. de vereniging "Dorpsbelang Lekkum-Miedum-Snakkerburen", gevestigd te Lekkum,

4. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 mei 2001, het bestemmingsplan "Tusken Moark en Ie" vastgesteld.

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk 472206, ondertekend door verweerder, is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 12 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2002, appellante sub 2 bij brief van 12 februari 2002, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen dezelfde datum, appellante sub 3 bij brief van 6 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2002, en appellante sub 4 bij brief van 11 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 3 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 8 maart 2002.

Bij brief van 21 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, uitsluitend voor zover betrekking hebbend op een formeel aspect, ter zitting behandeld op 7 april 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door drs. S.B. Douma, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan bevat een juridisch-planologische regeling voor de ontwikkeling van een hoogwaardige woonlocatie, gericht op het hoogste segment van de woningbouwmarkt. Met het plan wordt de bouw van

400 woningen aan de noordzijde van de stad Leeuwarden, direct ten noorden van de Groningerstraatweg (de Bullepolder) mogelijk gemaakt.

2.3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende komen vast te staan.

Het bestreden besluit, dat op naam is gesteld van verweerder en is ondertekend door de voorzitter en de griffier van verweerder, betreft een zogenoemd parafenbesluit. Dit betekent in dit geval, aldus de nadere toelichting van verweerder, dat een conceptbesluit van parafen van vier leden van verweerder is voorzien waarna dit door verweerder als een definitief meerderheidsbesluit wordt beschouwd. Het besluit is daarop verzonden. Gelet op deze wijze van besluitvorming was volgens verweerder bekrachtiging achteraf in zijn wekelijkse vergadering niet nodig. Evenmin berust de gevolgde handelwijze op een mandaatsregeling, aldus verweerder. Voor deze wijze van besluitvorming is gekozen vanwege het aanstaande verstrijken van de terzake geldende beslistermijn.

2.3.1. Met dit parafenbesluit vindt in materiële zin besluitvorming plaats buiten de collegevergadering. De Afdeling acht dit in het algemeen niet ongeoorloofd, mits op grond van het reglement van orde of een bekend gemaakte vaste praktijk besluitvorming niet plaatsvindt zonder dat in een collegevergadering de mogelijkheid bestaat tot beraadslaging en besluitvorming over het te nemen besluit en tevens duidelijk is wanneer het besluit wordt genomen. Alsdan kan vastgesteld worden dat en wanneer het desbetreffende besluit geacht kan worden te zijn genomen.

2.3.2. In de onderhavige zaak is niet aan deze eisen voldaan. Een nadere regeling of vaste kenbare praktijk ontbreekt. Voorts was niet gewaarborgd dat elk lid van het college in de gelegenheid is geweest om behandeling van het conceptbesluit ter vergadering te kunnen verzoeken.

2.3.3. Gelet op het voorgaande, is het besluit onbevoegd genomen. De beroepen zijn derhalve gegrond in verband waarmee het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aan de behandeling van de bezwaren van appellanten komt de Afdeling niet toe.

2.4. Verweerder dient in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld doch uitsluitend van appellanten sub 2 en 3 is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van 18 december 2001, kenmerk 472206, ondertekend door het college van gedeputeerde staten van Fryslân;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door appellanten sub 2 en 3 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00; dit bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellanten sub 2 en 3, ieder afzonderlijk een bedrag van € 322,00, toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de provincie Fryslân aan appellanten sub 1, 2, 3 en 4 het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00 ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003

178-371.