Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
200303201/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303201/2.

Datum uitspraak: 11 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 15 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2003, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.M. Mattijssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2.3. Ter zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening erin is gelegen dat na het onherroepelijk worden van de gedeeltelijke intrekking van de vergunning de mogelijkheid ontstaat dat ter realisering van een agrarisch bouwblok op een nabijgelegen perceel ten behoeve van [partij] een procedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening te starten. Verzoeker vreest dat zijn woongenot bij de realisering van dat bouwblok zal worden aangetast.

2.4. De Voorzitter overweegt dat, gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De Voorzitter is van oordeel dat in hetgeen van de zijde van verzoeker ter zitting is opgemerkt er geen spoedeisend belang bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Hij neemt hierbij in aanmerking dat een mogelijke procedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet is aan te merken als een belang dat dient ter bescherming van het milieu. Reeds vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang kan het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking komen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003

159-396.