Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
200303184/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast alle door hem aangebrachte obstakels, waaronder een slagboom, op de strook grond naast zijn perceel [locatie] te [plaats], te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303184/2.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen van 4 april 2003 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast alle door hem aangebrachte obstakels, waaronder een slagboom, op de strook grond naast zijn perceel [locatie] te [plaats], te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 juli 1999 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2000, verzonden op 23 mei 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 augustus 2001, no. 200003098/1, heeft de Afdeling het daartegen door verzoeker ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 20 juli 1999 vernietigd, en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling, de bezwaren van verzoeker wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juni 2003.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 juni 2003, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door J. Groeneveld, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Indien in hoger beroep een uitvoerbaar besluit aan de orde is, komt daaraan te meer betekenis toe, nu in dat geval het besluit door een rechter in eerste aanleg als niet onrechtmatig is geoordeeld. Wel neemt het college, door het toepassen van bestuursdwang, terwijl dit besluit nog niet in rechte onaantastbaar is, een risico waarvan de mogelijke negatieve gevolgen voor zijn rekening kunnen komen.

2.2. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevochten uitspraak in de bodemprocedure geen stand zal houden.

2.3. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zijn belang bij de gevraagde voorziening gelegen is in het kunnen parkeren van zijn auto en aanhangwagen op de in het geding zijnde strook grond, nu hij naar zijn stellen geen andere parkeergelegenheid heeft. Andere belangen zijn door verzoeker niet naar voren gebracht. Desgevraagd heeft het college verklaard, en dit wordt op voorhand niet onaannemelijk geacht, dat verzoeker wel degelijk openbare parkeergelegenheden heeft in de nabijheid van zijn woning. Onder deze omstandigheden is het belang dat verzoeker heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening niet zo zwaarwegend, dat het college van handhaving zou moeten afzien.

2.4. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

306-421.