Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
200301186/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam het bestemmingsplan "Lammetjeswiel, partiële herziening locatie Touwbaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301186/2.

Datum uitspraak: 11 juli 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam het bestemmingsplan "Lammetjeswiel, partiële herziening locatie Touwbaan" vastgesteld.

Bij besluit van 21 januari 2003, kenmerk DRM/ARB/02/5965A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 27 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2003.

Bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 juni 2003, waar verzoekers in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en verweerder, vertegenwoordigd door A. de Jong, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Alblasserdam, vertegenwoordigd door G.J. Voerman en H.G. Scholts, ambtenaren van de gemeente, bijgestaan door mr. J.H.A.M. Scheiffers, advocaat te Rotterdam, en [partij], vertegenwoordigd door mr. A.A. Marcus en mr. R.C. van Wamel, advocaten te Capelle aan den IJssel, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan maakt woningbouw mogelijk op de locatie “Touwbaan”, het terrein van de voormalige touwfabriek.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Verzoekers zijn eigenaren van een perceel dat grenst aan de noordwestzijde van het plangebied en verzoeken bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat het plan woningbouw mogelijk maakt binnen de stankcirkel van de mestplaat van het op dit perceel aanwezige rundveehouderijbedrijf. Voorts stellen verzoekers dat tevens een afstand van 50 meter gemeten vanaf de perceelsgrens moet worden aangehouden. Het standpunt van verweerder dat moet worden gemeten vanaf de grens van de stal achten zij onjuist. Tot slot hebben verzoekers erop gewezen dat het plan gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van het perceel, aangezien de bestaande ontsluiting vervalt. Een ontsluiting door de nieuwe woonwijk stuit bij verzoekers uit een oogpunt van verkeersveiligheid op bezwaren.

2.4. Voorzover van de zijde van de gemeenteraad ter zitting naar voren is gebracht dat verzoekers geen belang hebben bij schorsing van het bestreden besluit, kan de Voorzitter de gemeenteraad niet volgen, aangezien de met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende bouwvergunning nog niet onherroepelijk is.

2.5. Uit de stukken blijkt dat het rundveehouderijbedrijf buiten het plangebied ligt en dat de afstand van de mestplaat tot de dichtstbijzijnde te bouwen woningen ongeveer 50 meter bedraagt. Aan de percelen waar de woningen zijn voorzien is blijkens de plankaart de bestemming “Woongebied” toegekend. Ingevolge artikel 5b, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die als zodanig zijn aangewezen onder meer bestemd voor het wonen, parkeer- en verkeersvoorzieningen, fiets- en voetpaden, groenvoorzieningen en water.

2.6. In het bestreden besluit stelt verweerder zich onder verwijzing naar het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer op het standpunt dat rond de mestplaat een stankcirkel van 100 meter in acht moet worden genomen. Hij heeft op dit punt de bedenkingen van verzoekers gegrond verklaard, maar geen aanleiding gezien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat de mestplaat op een dusdanige manier kan worden verplaatst dat aan de norm van 100 meter wordt voldaan.

2.7. De Voorzitter stelt vast dat tussen verweerder en verzoekers niet in geschil is dat rond de mestplaat een stankcirkel van 100 meter moet worden aangehouden. Hij neemt dan ook bij zijn voorlopig oordeel deze afstand als uitgangspunt.

Verzoekers hebben in hun verzoek om voorlopige voorziening onder meer aangevoerd dat de door verweerder voorgestane verplaatsing van de mestplaat op praktische bezwaren stuit, aangezien dit met zich brengt dat deze op een afstand van 50 meter van de stal komt te liggen.

Ter zitting is in dit verband van de zijde van [partij] verklaard dat zij bereid is ook over de verplaatsing van de stal te praten. Niet gebleken is echter dat daarmee een concrete oplossing in zicht is, nog daargelaten dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verplaatsing van de stal onder het huidige planologische regime niet mogelijk is.

Gelet op het voorgaande is de Voorzitter voorshands van oordeel dat met de belangen van verzoekers onvoldoende rekening is gehouden. Derhalve ziet de Voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen, voorzover dit betrekking heeft op de plandelen met de bestemming “Woongebied” binnen een afstand van 100 meter van de mestplaat.

2.8. Wat het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige betreft, ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat tevens een afstand van 50 meter gemeten vanaf de perceelsgrens moet worden aangehouden. Hij neemt daarbij in aanmerking dat, behalve de mestplaat, niet is gebleken van bedrijfsonderdelen buiten het bouwvlak van de stal die stankhinder kunnen veroorzaken. De omstandigheid dat het geldende bestemmingsplan mogelijkheden biedt om ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering op de gronden buiten de stal en de mestplaat bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten, brengt niet met zich dat het perceel in zijn geheel als bouwvlak moet worden aangemerkt. Gelet hierop, komt het standpunt van verweerder dat moet worden gemeten vanaf de grens van de stal en niet vanaf de perceelsgrens de Voorzitter voorshands niet onjuist voor.

Voorts is ter zitting voldoende vast komen te staan dat in een adequate ontsluiting van het perceel zal worden voorzien. Het standpunt van verzoekers dat een ontsluiting via de nieuwe woonwijk uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is, acht de Voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande, ziet de Voorzitter voor een verdergaande schorsing van het bestreden besluit geen aanleiding en dient het verzoek in zoverre te worden afgewezen.

2.9. Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 21 januari 2003, kenmerk DRM/ARB/02/5965A, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekers;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003.

176-363.