Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200300600/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van zijn woonhuis aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300600/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 17 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van zijn woonhuis aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 5 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2002, verzonden op 18 december 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P.F. Warnier, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Konijnenfokkerij”.

Ingevolge artikel II.12, lid A, mogen op de tot konijnenfokkerij bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, waaronder begrepen ten hoogste één dienstwoning per bedrijf.

Vaststaat dat op het perceel geen konijnenfokkerij is gevestigd en ook nimmer gevestigd is geweest, zodat het bouwplan van appellant voor het vergroten van zijn woonhuis in strijd is met de geldende bestemming.

2.2. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college op het verzoek van appellant om uitbreiding van zijn woning, nu het hier niet gaat om een bedrijfswoning ten behoeve van een konijnenfokkerij, terecht het overgangsrecht als bedoeld in artikel V.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van toepassing heeft geacht.

Hieraan doet niet af het betoog van appellant dat hij niet tot vestiging van de konijnenfokkerij kon overgegaan omdat tijdens de bouw van bedrijfsruimten in 1984 de Hinderwetvergunning is ingetrokken. Ingevolge de planvoorschriften is slechts relevant of een konijnenfokkerij feitelijk heeft bestaan, hetgeen niet het geval is.

2.3. Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het bouwplan niet valt onder de reikwijdte van voornoemde overgangsbepaling, aangezien de voorgenomen uitbreiding groter is dan de toegestane 10% van de bestaande oppervlakte van de woning.

2.4. Anders dat appellant heeft betoogd is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheden op basis van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, omdat het bouwplan van appellant in strijd is met het toekomstig planologische regime, neergelegd in het ontwerp-bestemmingsplan ‘Bakertand’, maar omdat, zoals zowel in het primaire besluit als in de beslissing op het bezwaar is aangegeven, niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, vierde lid, van de WRO, zodat de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen ontbrak.

Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de artikelen 15 en 17 van de WRO hier niet aan de orde zijn. Artikel 15 ziet niet op wijziging van de bestemming, hetgeen voor realisering van het bouwplan wel is vereist, en artikel 17 biedt slechts de mogelijkheid om voor een tijdelijke afwijking van een bestemmingsplan vrijstelling te verlenen, waarvan in dit geval geen sprake is.

Anders dan appellant heeft betoogd heeft het college terecht geen toepassing gegeven aan haar wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel II.12, Lid D, van de planvoorschriften. Blijkens dat voorschrift kan de bestemming konijnenfokkerij uitsluitend worden gewijzigd in de bestemming woondoeleinden eengezinshuizen, indien er sprake is van bedrijfsbeëindiging, danwel bedrijfsverplaatsing, waarvan hier evenmin sprake is.

2.5. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan reeds niet slagen, omdat van vergelijkbare gevallen niet is gebleken en bovendien dit beginsel niet zover strekt dat daaraan aanspraak kan worden ontleend op het verkrijgen van de gevraagde bouwvergunning, die blijkens het voorgaande, niet anders dan in strijd met de wet zou kunnen worden verleend.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.7. Het door appellant in hoger beroep gedane verzoek om vergoeding van de door hem gemaakte kosten voor het verkrijgen van een ‘schoon grondverklaring’, die hij in het kader van de bouwaanvraag heeft moeten overleggen, dient te worden afgewezen, reeds omdat artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen in het geval het beroep terecht ongegrond is verklaard.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

202.