Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206740/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2000 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe BV (hierna: De Valouwe) vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), alsmede bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een propaanopslagtank op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/205
Gst. 2004, 17

Uitspraak

200206740/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 13 november 2002 in het geding tussen:

Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe BV, gevestigd te Beekbergen

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2000 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe BV (hierna: De Valouwe) vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), alsmede bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een propaanopslagtank op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen (hierna: de tank).

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 maart 2003 heeft De Valouwe een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Schoneveld, ambtenaar van de gemeente, en De Valouwe, vertegenwoordigd door haar beheerder, bijgestaan door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan “Immenberg” rust op het perceel de bestemming “Bos- of parkstrook”. De tank is daarmee in strijd.

2.2. Het college komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet zonder nadere motivering had mogen volstaan met de afwijzing van het vrijstellingsverzoek op de enkele grond dat een verantwoorde landschappelijke inpassing van de tank door middel van een plantstrook van 5 meter niet mogelijk is, maar dat het dient te onderzoeken waarom van het vereiste van een plantstrook van 5 meter niet kan worden afgeweken en de belangen van De Valouwe bij de besluitvorming dient te betrekken.

Volgens het college gaat de rechtbank aldus voorbij aan de reikwijdte van artikel 19, derde lid, WRO, dat enkel van toepassing zou zijn op bouwwerken van planologisch ondergeschikte betekenis. Het college stelt zich op het standpunt dat een plantstrook van 5 meter rondom de tank een absolute voorwaarde is, omdat bij een smallere plantstrook afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van het ten tijde van de beslissing op bezwaar reeds vastgestelde en inmiddels in werking getreden bestemmingsplan “Stuwwalrand Parkzone Zuid”. Nu aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, is de tank planologisch niet ondergeschikt, waardoor artikel 19, derde lid, WRO niet kan worden toegepast en waardoor ook niet aan een belangenafweging in de door de rechtbank bedoelde zin wordt toegekomen, aldus het college.

2.3. Dit betoog slaagt niet. Voorop moet worden gesteld dat de tekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 19, derde lid, WRO niet dwingen tot de beperking die het college aan de reikwijdte van deze bepaling heeft gegeven door deze uitsluitend van toepassing te achten op activiteiten van planologisch ondergeschikte betekenis. Ten tijde van de beslissing op bezwaar gold ook geen gemeentelijk beleid inzake de toepassing van artikel 19, derde lid, WRO, waarin deze beperking is opgenomen.

2.3.1. Vaststaat dat de tank, gezien de afmetingen, in aanmerking komt voor vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985. De voorwaarde dat de tank dient te zijn omgeven door een plantstrook van 5 meter breed heeft het college ontleend aan het advies van de afdeling Groen van 10 augustus 2000. In dit advies is gesteld dat met plaatsing van de tank akkoord kan worden gegaan mits deze op verantwoorde landschappelijke wijze wordt ingepast, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met een plantstrook van 5 meter. Het college heeft de vrijstelling geweigerd omdat bij de plaats van de tank aan de zijde van de openbare weg slechts een plantstrook van 2 meter beschikbaar is.

Ook de Afdeling is van oordeel dat die enkele omstandigheid onvoldoende is voor het standpunt dat de tank niet op een landschappelijk verantwoorde wijze kan worden ingepast. Daarbij is van belang dat ook aan de zijde van de openbare weg de tank aan het zicht kan worden onttrokken door een plantstrook die voor een gedeelte van 2 meter is gelegen op het terrein van De Valouwe en voor het overige deel op gemeentegrond. Het college had deze omstandigheid in aanmerking behoren te nemen en behoren te onderzoeken of daarin aanleiding kon worden gezien de tank ook aan die zijde landschappelijk verantwoord inpasbaar te achten. Daarbij had het college bovendien in aanmerking dienen te nemen de door De Valouwe aangevoerde belangen, waaronder het ontbreken van reële alternatieve locaties.

2.4. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Voor zover de rechtbank daarbij mede in aanmerking heeft genomen dat met de verlening van de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer bij De Valouwe de gerechtvaardigde verwachting kan zijn gewekt dat ook de bouwvergunning voor het plan haalbaar zou zijn, kan daaraan geen betekenis worden toegekend. De Wet milieubeheer kent immers een ander toetsingskader dan de Woningwet. De overweging van de rechtbank is echter niet dragend voor de vernietiging van de beslissing op bezwaar, zodat er geen aanleiding is de aangevallen uitspraak op dit onderdeel te verbeteren.

2.5. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar terecht en op goede gronden vernietigd. Gelet hierop is er geen aanleiding de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling te vernietigen, zoals het college heeft verzocht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn in de door de Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe BV in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Apeldoorn te worden betaald aan de Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe BV.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

71-429.