Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206735/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/947
JAF 2003/37 met annotatie van Van der Meijden
Milieurecht Totaal 2003/2789

Uitspraak

200206735/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Best,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […].

Dit besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 17 juli 2002, nummer 200105138/2, vernietigd voorzover het voorschrift 9.4.5 betreft.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft verweerder aan het besluit van 21 augustus 2001 het (nieuwe) voorschrift 9.4.5 toegevoegd. Dit besluit is op 27 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, en appellant sub 2 bij brief van 4 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar appellant sub 1 en appellant sub 2, beiden vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.F.J.M. van de Waardenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant sub 1 heeft de grond dat verweerder alvorens het bestreden besluit te nemen een nieuw ontwerpbesluit had moeten opstellen en publiceren ter zitting ingetrokken.

2.2. De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 17 juli 2002, nummer 200105138/2, het besluit van verweerder van 21 augustus 2001 vernietigd voorzover het voorschrift 9.4.5 betreft, omdat het begrip bijproducten noch in de wet noch in dat voorschrift is omschreven en als gevolg daarvan niet met zekerheid kan worden afgeleid wat de samenstelling van de bijproducten mag zijn die binnen de inrichting mogen worden opgeslagen. Dit terwijl deze samenstelling van belang is voor het antwoord op de vraag of de bijproducten al dan niet moeten worden gekwalificeerd als afvalstoffen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het nieuwe voorschrift 9.4.5 aan de vergunning verbonden.

2.3. Appellant sub 1 betoogt dat uit voorschrift 9.4.5 niet blijkt dat de bijproducten geen afvalstoffen kunnen zijn. Appellant sub 2 voert aan dat het onduidelijk is welke producten in de silo’s zullen worden opgeslagen.

2.3.1. Verweerder stelt dat de in het bestreden besluit opgenomen omschrijving van bijproducten afvalstoffen uitsluit.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 9.4.5 mogen binnen de inrichting alleen bijproducten worden opgeslagen die oorspronkelijk zijn bestemd om (mede) als veevoeder te dienen. De bijproducten dienen te worden opgeslagen op een vloeistofdichte plaat van beton met een opstaande rand. De betonplaat moet zijn voorzien van een doelmatige afdekking ter voorkoming van stank-, ongedierte- en stofoverlast. De betonplaat moet verder zodanig zijn geconstrueerd dat vocht wordt opgevangen in een goot. Het uitzakkende vocht en verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en door middel van een vloeistofdichte leiding worden afgevoerd naar de mestkelder.

2.3.3. In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (hierna te noemen: de Richtlijn), wordt “afvalstof” gedefinieerd als: “elke stof of voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environment Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term “zich ontdoen van”.

Het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), onder meer voor recht verklaard dat de omstandigheden dat een als brandstof gebruikte stof het residu is van een productieproces van een andere stof en dat die stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen, als aanwijzingen kunnen worden beschouwd voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn. Of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die Richtlijn en ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

2.3.4. Ingevolge voorschrift 9.4.5 mogen binnen de inrichting alleen bijproducten worden opgeslagen die oorspronkelijk bestemd waren om (mede) als veevoeder te dienen. Verweerder heeft hiermee beoogd uit te sluiten dat binnen de inrichting stoffen of producten worden opgeslagen die zijn te beschouwen als van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen. In het licht van de aanwijzingen genoemd in de voornoemde uitspraak van het Hof op grond waarvan een stof moet worden aangemerkt als een afvalstof, kan echter niet worden uitgesloten dat de producten die binnen de inrichting als bijproducten worden opgeslagen moeten worden gekwalificeerd als afvalstoffen, bijvoorbeeld producten die niet meer voor dierlijke consumptie geschikt zijn dan wel anderszins niet meer kunnen of mogen worden gebruikt voor hun oorspronkelijke bestemming. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Vergunninghouder heeft aan verweerder te kennen gegeven zich bewust te zijn van de strekking van voorschrift 9.4.5 zoals verweerder die heeft beoogd en dat dit voorschrift als zodanig niet onnodig beperkend is voor de bedrijfsvoering van de inrichting. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat door vergunninghouder geen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen in de inrichting worden opgeslagen. Nu het voorliggende geschil uitsluitend voorschrift 9.4.5 betreft, ziet de Afdeling in de voornoemde omstandigheden aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.4. Appellant sub 2 betoogt dat het vanwege dierenwelzijn niet is toegestaan de gebouwen voor varkens te gebruiken.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.5. Appellant sub 2 betoogt tengevolge van de opslag van bijproducten stankhinder te ondervinden.

In hetgeen door appellant sub 2 hierover is aangevoerd ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 9.4.5 toereikend is ter bescherming tegen onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de opslag van bijproducten. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6. Het beroep van appellant sub 1 is geheel en het beroep van appellant sub 2 is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op de zinsnede uit voorschrift 9.4.5 “alleen bijproducten worden opgeslagen die oorspronkelijk zijn bestemd om (mede) als veevoeder te dienen”. De Afdeling ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hierna vermelde wijze en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

In aanmerking genomen dat appellant sub 1 en appellant sub 2 ter zitting zijn vertegenwoordigd door dezelfde rechtsbijstandverlener, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre wat betreft de beroepsmatig verleende rechtsbijstand het bedrag toe te kennen dat voor vergoeding in aanmerking zou komen, indien slechts één van hen in beroep zou zijn vertegenwoordigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 geheel en het beroep appellant sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best van 29 oktober 2002, voorzover het betreft voorschrift 9.4.5 de zinsnede “alleen bijproducten worden opgeslagen die oorspronkelijk zijn bestemd om (mede) als veevoeder te dienen”;

III. bepaalt dat de volgende zinsnede in de plaats komt van het bestreden besluit voorzover dat is vernietigd:

”geen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen”;

IV. verklaart het beroep van appellant sub 2 voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Best in de door appellant sub 1 en appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 161,00, voor ieder afzonderlijk, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; deze bedragen dienen door de gemeente Best te worden betaald aan appellanten sub 1 en sub 2;

VI. gelast dat de gemeente Best aan appellant sub 1 en appellant sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (beiden € 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

154-396.